BOREN NAAR OLIE

BOREN NAAR OLIE

(HET URSINIMYSTERIE)

Pomm’o’Pomm was de hele maand augustus gesloten. De zaak had blijkbaar het stadsmonopolie over de Ursini producten, want in alle andere delicatessenwinkels van Kortrijk stond de vermaarde Ursini olijfolie gelijk aan toeten en blazen. Ofwel deden ze alsof ze de hooggeprezen olie niet kenden, ofwel daalden hun mondhoeken minachtend, ofwel schudden ze te snel van nee, ofwel probeerden ze je andere olie aan te smeren.

Sinds Annabel op restaurant in Italië een priester de hemelse geneugten had zien smaken (en hardop horen verkondigen) van simpele gekookte aardappelen en eenvoudig brood in Ursini olijfolie gedoopt, had ze diezelfde olie culinair heiligverklaard. Telkens als het oliepeil in haar fles tot onder het etiket was gezakt, ging ze naar Pomm’o’Pomm voor een verse portie van dat heilig oliesel. Dat het lekkers dan ook telkens ongeveer een euro duurder geworden was, vond ze niet erg. Voor kwaliteit moest je pinnen en inleveren.

Maar nu – hoge nood – was haar fles zo goed als leeg en het was pas 14 augustus. De zaak was dicht. De andere zaken hadden Annabel in de steek gelaten. En Ursini moest en zou het zijn. Ze wou zelfs twee flessen kopen, want er was er eentje jarig in de buurt – een hobbykok die van ovenwanten wist. Met zo’n fles Ursini zou ze zeker scoren. Maar het verjaardagsetentje van vriend Pilipili naderde zienderogen, eind ‘oogst’. Twee dwingende redenen dus om op pad te gaan en een queeste naar Ursini olijfolie te ondernemen.

Van 15 tot en met 31 augustus stelde Angelique B. haar vagina’s tentoon in galerij Kust Ze in Doddewege, een schilderachtig dorp met witte huisjes en dito horeca in het hinterland van de kust. De keramiek kunstwerkjes vormden al jaren geen onderwerp van discussie meer, maar toch kreeg Angelique B. einde kunstzomer nog veel volk over de vloer. Kijkers, geen kopers. Haar poging om een reuzenvagina aan de bekende kerktoren op te hangen, werd geaborteerd door alle verenigingen en instanties die de schijn van heiligheid predikten. Geen sekstoerisme in Doddewege. Alleen binnen de wanden van Kust Ze konden de vagina’s gedijen.

Annabel, al jarenlang een trouwe vriendin en volger van de kunstenares Angelique B., trok op een woensdag medio augustus naar Doddewege. Op haar programma: vagina’s en olijfolie. Doddewege was immers een deelgemeente van de grote museumstad Brugge. Zijn koetsen! Zijn chocolade! Zijn bieren! Daar moest toch ook de heilige Ursini olijfolie te vinden zijn, in de stad van pralines, kant, Japanse fotoapparaten en geklikklak van paardenhoeven? In dat Venetië van het Noorden?

Annabel had nog vier dagen om in haar opdracht te slagen. Dan was haar huidige fles leeg. Dan was culinaire vriend Pilipili het jarige feestvarken.

‘Let maar niet op de onderbroeken. Ik moet die nog…’.
Angelique knikte naar de collectie slipjes die over de rand van de keukentafel hingen. Op die tafel lagen nog enkele vagina’s-under-construction. De afgewerkte exemplaren had Annabel daarnet al in de galerij bewonderd.
‘Poëtisch hé? Sommigen vinden het choquerend.’
‘Ja.’
‘Jammer van de kerktoren. Hij, eh… zij zou twee meter groot geweest zijn. En zo rood als het Heilig Hart van Onze-Lieve-Heer.’
‘Wauw.’
‘Ja, en je zou er ook de vage afdruk van Onze-Lieve-Vrouw in gezien hebben, zoals op dat schilderij hier. Gezellig in haar grot. Maar vaag, hi hi. What’s in a word, snap je? Grot.’
Angelique wees naar een tegen de muur geleund schilderij waarop in een grotachtig geheel een wazige gesluierde contour te ontwaren viel. Het kon ook een moslima zijn.
‘Mooi.’
‘Beetje heilig en geilig hé?’
‘Ha ha.’
‘De pilaarbijters hebben er een stokje voor gestoken. Voor mijn kerktorenproject, bedoel ik. Kut, hoor.’
‘Jammer verdorie. Ik had graag je schaamlippen aan de kerktoren zien bungelen.’
‘Ik ook. Een oude droom. Komt nog wel. Het middeleeuwse Doddewege zal nog opkijken. Letterlijk dan. Cava? Sigaret?’

Twee glazen later vertelde Annabel over haar queeste naar Ursini olijfolie. Het gesprek was namelijk de richting uit gegaan van de Doddeweegse horeca, die uitdrukkelijk aanwezig was in dit fraaie dorp, dat zo wit zag als een tafellaken.
‘Nog vier dagen, zeg je?’
‘Ja, de tijd dringt. Pilipili is een goeie vriend. Hij zal het bijzonder weten te appreciëren. Ursini olie behoort tot de top. Maar als ik in Brugge niets vind… ’
‘Dan gebruik je maar je kutsap, meid. Luister naar de raad van een erkende vaginiste.’
‘Hi hi hi’.
‘Afkolven en op flessen trekken, drie dagen lang. Pittige smaak, heerlijke smeerboel, gladde glibberigheid. Vraagt om eerlijk dagelijks brood of een simpele patat – het droge tegenwicht voor dat heilig oliesel.’
‘Je bent een echte kunstenares, Angelique. Je zou ook boeken moeten gaan schrijven.’
‘Mijn schaamlippen zijn niet verzegeld, Annabel. Gaat en doorkruist Brugge. Voorwaar, ik zeg u: gij zult olie vinden! Venetië kan niet op één dag zinken!’
‘Ik hoop het, verdorie.’
‘Hier: neem een kutje mee. Cadeau van mij.’
‘Maar… ‘
‘Toe: neem maar. Weigeren is kutschennis.’
‘Dank je.’
‘Kust ze. Hi hi hi! Hier!’
Angelique B. wikkelde behendig een vaginaatje in de voorpagina van de Doddeweegse Bazuin.
‘Asjeblief. Een voorvagina.’
‘Ha ha! Moest je niet gedaan hebben. Merci. Ik geef het een mooie plek.’
Het ding verdween in de dieptes van Annabels handtas.

Na een broodje scampi met het grondsop uit de fles cava verliet ze de galerij der bloedrode, flamingoroze en vleeskleurige schaamlippen in het verblindend witte polderdorp en reed hoopvol naar de stad der witte zwanen.

Boren naar olie in Brugge. Annabel parkeerde haar auto aan de periferie. Na een kwartier stappen werd de aanslibbing van toeristen zo dik dat ze bijna niet meer vooruitkwam. Van en op het trottoir huppend stak ze er wat meer vaart achter, ondertussen de vitrines en etalages screenend op een mogelijk Italië-gehalte. Na anderhalf uur struinen leek het een vruchteloze expeditie te worden. Delica, Oil & Vinegar, Dille & Kamille, Pasta Si en Pasta La, Huppeldepasta, Huppeldepepe of hoe ze ook mochten heten, pizzeria’s, restaurants, bistro’s, delicatessenshops: noppes.

Ursini was van de wereld verdwenen.
Er was een vloek over Ursini uitgesproken.
Er rustte een taboe op Ursini.
Het U-woord stootte alom op ontkenning.
Het Venetië van het Noorden was een Ursiniloze stad.

Moedeloos ging Annabel met een witte wijn op een terrasje zitten, in een kalme straat achter de oude stadsschouwburg. Hier dokkerden de toeristenkoetsen niet om de haverklap voorbij.

INDIAN – THAI AFRICANS FOOD prijkte het krakkemikkig op een raam aan de overkant, vlak naast het grote theatercafé. Het winkeltje was op deze klaarlichte zomerdag verlicht als een bordeel. Een sigaret lang bleef Annabel zitten, terwijl ze van iedere voorbijkomende vrouw of meisje de schaamdriehoek taxeerde. Dat waren er niet zoveel. Het was een rustige buurt.

Angelique zou ook een fotoboek kunnen maken, dacht ze. Titel: V. De bedekte schoot der vrouwen. Verhulde vagina’s. Lage streken. Voila: daar had ze al haar eerste boekpublicatie. Annabel staarde naar de S van AFRICANS.
‘Urini’, mompelde ze. ‘Hi hi’.
Toen stak ze de straat over.
Een vrouwtje uit het Andesgebergte verscheen als een djinn tussen een massa rommelige winkelwaar en ging postvatten achter een regiment dozen met snoep – voorheen een toonbank. In een van de dozen lagen in rijtjes van zes een aantal grillige bloedrode winegums die sterk aan het werk van Angelique B. deden denken.
‘Goede dag’, groette de zaakvoerster in vlekkeloos Brugs.
Annabel knikte en viel met de deur in huis: ‘Hebt u Ursini olijfolie?’
‘Olie?’
Het vrouwtje wees in de richting van een onooglijk loopgraafje tussen de hooggestapelde rekken.
‘Daar een grote keus. Gaat even kijken.’
‘Dank u.’
Annabel dook het gangetje van de ansjovissen en de kokosproducten in en belandde warempel – in gebogen houding – bij een assortiment huishoudoliën in plastic en blik verpakt.
‘U vindt het?’ klonk het van achter de snoepwering.
‘Ja hoor.’
Tweemaal zeilden haar blikken over het aanbod, voldoende om ontstentenis aan Ursini olijfolie te constateren. Only Indian-Thai Africans Food.
‘Verdomme.’
Ze trok zich terug uit de loopgraaf, schudde haar hoofd en haalde haar schouders op.
‘Nee? Geen Urani? Niet?’
‘Nee.’
In een opwelling wees ze naar de winegums.
Give me six… eh… Ik neem zes van die dingen.’
‘Zes?’
‘Ja.’
’Vijfentachtig cent.’
Pas toen Annabel met twee vingers het gevraagde uit het smalle dijzakje van haar jeans opduikelde, realiseerde ze zich dat ze haar handtas niet meer bij zich had.
‘Verdomme.’
‘Eh?’
‘Sorry. Alstublieft. Een euro. ’t Is oké. Hou maar.’
‘Dank u.’
Ze graaide het papieren zakje zowat uit de handen van het snoepvrouwtje en haastte zich naar buiten. De tas stond er nog, aan de overkant op het terrasje:  precies zoals ze die achtergelaten had, op de stoel naast het tafeltje met het lege wijnglas, dat blijkbaar nog altijd niet afgeruimd was.
‘Oef!!’

Annabel stak andermaal de straat over en ging uit pure dankbaarheid jegens een heleboel goden en godinnen weer op dezelfde plek zitten.
Het niet-vinden van Ursini olijfolie was een vloek.
Het weervinden van haar handtas was een zegen.
De dingen hielden elkaar in evenwicht.
‘Nog eens hetzelfde a.u.b.’
‘Witte wijn?’
‘Ja.’
Ze controleerde de inhoud van haar tas. Alles was oké. Ze plukte een winegum uit het papieren zakje en stopte de rest in de tas. Ze bestudeerde het zoete ding even en stopte het dan in z’n geheel in haar mond. Kauwend monsterde ze de bordeelverlichting van de winkel – wellicht haar laatste halte in de queeste naar Ursini olijfolie.
‘Alstu. Dat is dan nog eens twee vijftig hé.’
‘Alstublieft.’

Annabel wachtte tot de vrouw weer naar binnen ging en nam toen een fikse slok van haar wijn. Daardoor schoot ongewenst en onverwacht met een soort van hikkramp ook de winegum diep haar keel in, waar hij vervolgens ter hoogte van haar luchtpijp vastliep. Annabel patste ijlings het glas op tafel neer, schokte met haar bovenlijf vooruit, hoestend, schrapend, kokhalzend, stikkend. Vervolgens bracht ze alleen nog gepiep voort. Ze zakte van haar stoel op haar knieën en greep met beide handen naar haar keel in een wurggebaar. Haar tafeltje wankelde; het glas viel aan diggelen en de rest van de wijn zocht zich een weg naar de rand.

Helaas voor Annabel was dit een kalme straat achter de oude stadsschouwburg. Zowel de vrouw met het wisselgeld als het winkelvrouwtje kwamen te laat toegesneld.

Heel even werd Annabel voorpaginanieuws. De winegums gecombineerd met het in Doddeweegs krantenpapier verpakte kunstwerk vormden de vreemde ingrediënten van een verhaal dat twee betrokkenen probeerden te vertellen, maar nog vreemder leek het verband met Ursini olijfolie. Had Annabel in al haar wanhoop zichzelf een heilig oliesel toegediend zonder op de olie te wachten? Het glijmiddel bij uitstek? De winegums uit Brugge werden vergeleken met hun kunstige lookalikes in galerij Kust Ze in Doddewege. Angelique B. en de zaakvoerster van INDIAN-THAI AFRICANS FOOD, in het belang van een onderzoek even bijeengebracht, communiceerden over Ursini en Urani. Een ontredderde Pilipili werd erbij gehaald; het viel Angelique B. in dat diens naam was gevallen in de galerij. Die kon het mysterie alleen maar raffineren: ja, hij was een gebruiker van de gegeerde Ursini olijfolie. Niet van vagina’s: dit heeft u goed begrepen, beste mensen. Men kreeg er kop noch staart aan. De Ursini olijfolie, en vooral de queeste ernaar van de afgestorvene, bleven een mysterie.

Geen kut op een kerktoren kon daaraan tornen.

Sjors DNO

 

 

Advertenties

MOESKOPPER

MOESKOPPER

Ebenezer Moffaert was een beminnelijk mens, maar dat werd voor een flink stuk ontsierd door zijn hebzucht. Steeds minder mensen in zijn omgeving roemden hem om zijn beminnelijkheid. Misschien kwam dat ook doordat Ebenezer vrijwel onzichtbaar bleef, zelfs aan de balie op zijn werk. Hij verrichtte al jaren hetzelfde werk als hulpbibliothecaris in bibliotheek Willem Elsschot. Hij kon boeken rangschikken naargelang van beginletter titel, beginletter auteur, omslagkleur, formaat, inhoud, uitgeverij, leeftijd enzovoort, maar van dat talent maakte hij nooit gebruik: een nationaal bibliotheekwezen schreef hem voor hoe alles geordend moest worden. De hoofdbibliothecaresse, mevrouw Ten Cate, was daarin ook onverbiddelijk. ‘Boeken zijn geen beeldende kunstwerken,’ zei ze. ‘Boeken moeten gelezen worden. Niet bekeken.’ Ebenezer bande dus alle gedachten betreffende een eventuele andere outlook van de boekenslagordes.

Moffaert E. – zo prijkte het op zijn naambordje onder zijn bel in residentie Old Brussels vijfhoog boven brasserie Hot Stone. Sommige van de steeds schaarser wordende bezoekers wezen hem op dat euvel. Of hij zich misschien in het leger waande? Of hij zijn eigen voornaam verloochende? Of hij een Hongaar was? Die vermeldden ook altijd eerst hun achternaam. Waarvoor had je dan eigenlijk een achternaam hé? Of hij zich de zoveelste minkukel in de pikorde van de menselijke soort voelde?

Ebenezer Moffaert aka Moffaert E. haalde dan gespeeld mistroostig zijn schouders op. Het naambordje hing er al jaren en vervanging zou misschien centen kosten. Zijn gierigheid was de keerzijde van zijn hebzucht.

‘Zo vinden ze me rap,’ placht hij dan te zeggen.
‘Waarom moet je rap gevonden worden?’
‘Ik wil maar zeggen.’
‘Wat wil je zeggen?’
‘Niets.’
‘Zo gaan ze je niet rap vinden.’

Niemand moest Ebenezer Moffaert vinden. Tot op zekere dag iedereen Ebenezer Moffaert wou vinden: de man van wie beweerd werd dat hij in een stad aan de zee was komen wonen omdat hij dacht dat de gemeentebelastingen er gehalveerd waren – het was immers maar een halve stad; de andere helft was water.

Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap.

De 47-jarige vrijgezel en hulpbibliothecaris Ebenezer Moffaert droomde ervan de lotto te winnen of zo rijk te worden als de zee diep was. Ongeduldig wachtte hij (als enige nazaat) op de dood van zijn beide verwekkers, van wie hij nog op zaterdagvoormiddagen het volkstuintje onderhield achter het bejaardenwoonerf in het hinterland van de Vlaamse oostkust. Zijn eigen bescheiden kapitaal groeide ondanks de crisis van de prille jaren van de 21ste eeuw gestaag dankzij een saai, voorspelbaar, veilig en omzeggens autistisch bestaan. Hij betaalde geen cent belastingen te veel, likte nooit een ijsje, woonde nooit trouwfeesten bij, ging nimmer op reis, scheurde constant bonnen en coupons uit kranten en magazines die hij in wachtkamers en op openbare plaatsen aantrof en at elke middag in het restaurant van het stedelijk OCMW of het ziekenhuis. Warenhuisprijzen vergeleek hij nauwgezet. Holland was vlakbij: hij gunde zichzelf wel eens een winkeluitje naar een van de grenswarenhuizen, waar de prijzen ‘gierig’ waren – een zelfspottende slogan van het koopmansvolkje. Nauwgezet hield Ebenezer de warenhuisoorlogjes in de gaten.

Honderd jaar nadat het verdwenen was, werd andermaal urtogein gekweekt in Vlaanderen. Onderzoekers en veldwerkers van de universiteit van Gent waren erin geslaagd een proefveldje van deze vergeten plantgroente op te zetten, na een turbulente periode van genetisch gemanipuleerde aardappelen annex de nodige heisa. De planten waren al vijftien centimeter groot. Ebenezer Moffaert las er in de krant over, die hij elke dag gratis raadpleegde in de tijdschriftenafdeling van de bibliotheek. Daarna googelde hij wat, onder andere met Street View.

Urtogein: ooit een peperdure Vlaamse (gedeeltelijk) eetbare plantgroente, voor het laatst gespot omstreeks 1915 in de omgeving van Eeklo. Inmiddels geheel verdwenen. Rodekoolkleurige bloemloze plant met tweevoudig geveerde, diepgezaagde bladeren, telkens vijf per stengel. Alleen de stengels waren bruikbaar en eetbaar. De vier seizoenen rond mogelijke teelt in binnen- en buitencultuur, waarbij ganzenmest de hoofdrol speelde. Bevatte 0,03 % orobanche (bremraap), 0,04 % arsenicum en 0,01 % cicuta maculata ofte gevlekte musquashroot (waterscheerling). Intens neteleffect bij aanraking met de bladeren, alleen in ochtendzon tot en met 12 uur. De openbare teelt van urtogein was eigenlijk bij wet verboden, want de combinatie van orobanche, arsenicum en cicuta maculata werkte in deze verhouding verslavend en ‘bewustzijnsverruimend’. Vakkundig bereid en goed gebruikt sorteerde urtogein wel degelijk een speciaal effect, maar het bleef oppassen geblazen met de verhoudingen. Onachtzaam gebruik kon ook de dood veroorzaken. Was zeer gegeerd bij de chef-koks in de bekende restaurants uit die tijd (urtogein bleek in combinatie met ganzenlever een genot voor de smaakpapillen te zijn), in kunstenaarsmiddens en voor medicinale doeleinden in de farmacie en de heelkunde (extracten uit de stengels van de wonderplant konden meer en vlugger dan andere middelen of medicijnen pijn stillen, wonden helen, bloed stelpen en euforisch verdovend werken). Over urtogein deed een stadslegende de ronde. Wie zich netelde aan een blad (en dat prikte behoorlijk vinnig), voelde helemaal niks meer onmiddellijk nadat hij op het betreffende blad van de plant wat grof zeezout had gestrooid. Niet op de hand dus! Urtogein: heden herontdekt!

‘Peperduur’.
Dit woord bleef nazinderen bij Ebenezer, na het eenzame ledigen van een halve fles goedkope cognac op zijn appartement. Het werd tijd voor eigen kweek. Hij zou voor een primeur zorgen. Het volkstuintje van zijn ouders, waar ze zelf nog nauwelijks verschenen, was de ideale plek. Het proefveldje van de universiteit bevond zich op het Galgenveld in het dorpje Afsnee, op enkele steenworpen van de Oost-Vlaamse provinciehoofdplaats Gent. Moffaert Ebenezer stak op een late zomeravond zijn tweedehandse vouwfiets in de koffer van zijn auto en begaf zich naar het ingedommelde Afsnee.

De proefvelden van de universiteit lagen op het Galgenveld in Afsnee alle samen op een terrein dat gehuurd werd van een land- en tuinbouwschool uit Melle. Je kon er met de auto tot vlakbij. De kwestie was natuurlijk er op dit uur binnen te geraken (en weer buiten met de buit). Een hoog ijzeren hekken vormde de hoofdingang, waardoor de toegang op het voorportaal van een begraafplaats geleek. Een brede zijingang vijftig meter verderop, voorzien op tuinbouwwerktuigen, was afgesloten met een blinde poort die blijkbaar elektronisch werkte. Voor de rest was het domein omheind door een brede droogstaande greppel van wel twee meter diep, waarachter zich een drie meter hoge beukenhaag verhief die al jaren innig verstrengeld was met pinnige Vlaamse afrasteringdraad. Parkeren kon onopvallend: diverse buurtbewoners maakten in deze kalme zomerperiode gebruik van de mogelijkheden op de brede parkeerstroken naast de greppel en het fietspad aan de voorkant en aan een van de zijkanten van het proefdomein, zodat hun eigen opritten vrij bleven voor hinkelhokken, buurtbarbecues en straatpalaver.

Moeskoppen of moeskopperij is de diefstal van groenten, fruit, gewassen of een (deel van de) oogst. Het veronderstelt het plukken, afrukken, afsnijden of uitgraven van de vruchten. De Belgische strafwetgever heeft geoordeeld dat het wegnemen van groenten van het veld, het plukken van appels of druiven, niet moet bestraft worden als een wanbedrijf maar als een overtreding. Artikel 557 Sw. heeft het over: Zij die veldvruchten of andere nuttige voortbrengsels van de bodem die nog niet los van de grond zijn, roven. Alle andere vormen van diefstal, eventueel ook het wegnemen van een appel uit de winkel, worden wel beschouwd als een wanbedrijf, met zwaardere straffen. Als de veldvruchten in groep geroofd worden of ’s nachts, dan is het ook diefstal. Ook het oprapen van een gevallen appel is geen moeskopperij, maar een gewone diefstal. De basisstraf voor moeskopperij is één tot vier dagen gevangenis en/of een geldboete van 5 tot 15 euro (te vermenigvuldigen met 6). Met ingang van 1 april 2005 is moeskoppen uit het strafwetboek gehaald en dus gedecriminaliseerd. Steden en gemeenten die dit wensen kunnen moeskoppen opnemen in hun politiereglement en zo opnieuw bestraffen via een gemeentelijke administratieve sanctie. In 2007 dook in België een nieuw verschijnsel op van grootschalige moeskopperij. Vele tientallen hectaren maïsveld werden machinaal door dieven geoogst en weggevoerd. Doordat het in groep en ’s nachts gebeurde kon het toch vervolgd worden als diefstal.

Schuilen deed je het best in de openbaarheid: Ebnezer Moffaert parkeerde zijn auto net om de hoek op de parkeerstrook, tussen een Skoda en een mobilhome in. Er stonden nog minstens tien andere auto’s in de zijstraat. De vouwfiets bleek gezien deze meevaller overbodig; het doel was vlakbij. Aan de overkant bevond zich een langwerpige weide bevolkt door enkele ganzen, die nieuwsgierig naderden. Gelukkig hielden ze hun snater. De weide liep honderd vijftig meter verder in een punt toe, waar de huizenrij begon. Geen pottenkijkers dus. Het was ondertussen al goed donker geworden. Ebenezer wachtte een poos. De ganzen waggelden weer weg. Dan trok hij de kap van zijn fleece trui over zijn hoofd, gordde zijn rugzak om met een kniptang en een steekschep erin en verliet via de passagierszitplaats in gebogen houding zijn auto. Even later waadde hij omzichtig door de droge greppel – een donkere gestalte met een bochel. Het was nu zoeken naar en hopen op een dunne kalende plek in de omheining. En misschien vormde die vintage afrasteringdraad ook niet zo’n probleem, gezien zijn ouderdom.

Het proefproject ‘Snaterkracht’ onder leiding van professor Emma Hasselman van de Gentse universiteit verliep naar wens. De waakganzen handelden precies zoals ze ervoor opgeleid waren. Eerst verkenden ze de (eventueel bedreigende) situatie. Dan trokken ze zich terug om de tegenstand(er)(s) verder in te schatten. Daarna overlegden ze in verband met mogelijke actie en de noodzaak om in te grijpen. Ook de intensiteit van die actie werd bepaald. In combinatie met het proefveld waarop de urtogein werd gekweekt, betekende dit een uitermate geschikte test. Twee vliegen in een klap, zeg maar. Een nieuwe oude groente bewaakt door een aantal hoogopgeleide ganzen.

De alfagans met de elektronische nekband opende het poortje van de weide, zoals ze het aangeleerd was door professor Hasselman en haar team. Een peloton van zestien doodstille waakganzen stak omzichtig de straat over. Acht ganzen (peloton 1) haastten zich daarna over het fietspad naast de parkeerstrook in de richting van de zijstraat; de andere acht (peloton 2) doken geruisloos de diepe greppel in en slopen op z’n indiaans verder in dezelfde richting. Beide groepen vervolgden op hun eigen tempo hun weg, tot ze om het hoekje waren.

Ebenezer dook nog dieper ineen: boven hem zag hij plotseling een aantal ganzenkoppen voorbij stuiteren, zich aftekenend tegen de nachtelijke zomerlucht. Ze gaven geen kik en keken strak voor zich uit. Waren die dan toch uit hun weide ontsnapt? Of betrof deze nachtelijke ganzenpas een zomerse ganzengewoonte? Toen de vreemde stoet gepasseerd was en hij aanstalten maakte om de haag verder op zwakke plekken te controleren, hoorde hij plotseling droog geknap en geritsel achter zijn rug. Verschrikt draaide hij zich om. Toen barstte de hel los. Oorverdovend gesnater vulde eensklaps de greppel, van twee frontlinies komend. Vleugels en poten wiekten en maaiden in een overweldigende mallemolen in het rond. Onder het gewicht van zestien hoogopgeleide waakganzen van de Gentse universiteit tuimelde moeskopper Moffaert E. diep ter aarde neer, frontaal en ruggelings aangevallen en geveld door deze blitzkrieg van boos gevogelte.

Death by a thousand beaks? Nee, hij leefde nog. Het deed niet echt pijn. Maar het voelde aan alsof zijn hele lijf met klemmen vastgehaakt was. Tientallen poten kneedden ondertussen het vlees van dat lijf, heen-en-weer huppend wisselend van plaats, terwijl ettelijke snavels hem door zijn kleren heen in bedwang hielden. Af en toe incasseerde hij een venijnige knauw. Een bepaalde gans trommelde ononderbroken met beide poten op zijn nieren. Hij kon geen kanten op. Gelukkig had hij zich op zijn buik kunnen draaien, zijn vuisten afwerend tegen zijn oren gedrukt. Door de opwinding van de aanval begonnen ook enkele waakganzen zich te ontlasten op het vege lijf van de moeskopper. Weldra zat hij onder de stinkende kledder. De hoofdgans met de elektronische band hield hem in een houdgreep ter hoogte van zijn nekhaar. Met haar beide poten beheerste ze het kloppen in zijn halsslagader. Tot zijn opperste verbazing hoorde Ebenezer elektronische geluiden achter in zijn nek, gevolgd door – godbetert! – de bevelende stem van een mens, waarop – droomde hij? Was dit een nachtmerrie? – de oppergans leek te reageren.

Ondertussen hadden enkele Afsnedelingen uit de nabije omgeving hun bed verlaten, gealarmeerd door het gesnater. Iedereen wist namelijk hoe de vork aan de steel zat. Men was op de hoogte van het experiment, gedragen door een team van de universiteit. De waakganzen waren zich naar behoren van hun taak aan het kwijten. Dit betrof wel een primeur. Nieuwsgierig gingen de omwonenden op de haard van de heisa af. Daar troffen ze de gesneuvelde moeskopper aan, volledig onder het gevogelte en onder de schijt. Een halfuur later (een eeuwigheid voor Moffaert E.) arriveerden er een busje van de Gentse universiteit en een politiecombi. Er heerste uitbundigheid omwille van het slagen van het proefproject ‘Snaterkracht’, waarbij gelijk het proefveld van de urtogein beschermd was. Het duurde dan ook geen vijf minuten of er verscheen een lokale medewerker van Het Laatste Nieuws. De teams van de unief en de politie gingen graag in op diens verzoek om even te wachten met verdere ingrepen, opdat iedereen over pakweg zes, zeven uren ten volle van dit kluifje zou kunnen genieten – een neusje van de zalm in komkommertijden. Zowel de hoofdonderzoeker van het urtogeinproefveld als professor Hasselman kregen een kort interview. Ze benadrukten hun uitzonderlijke ecologische vorm van samenwerking. Pas een kwartier later leidden de onderzoekers de ganzen terug naar hun weide (waar die een feestelijke beloning voor hun snater kregen), terwijl het politionele team sanitairverpleegkundige hulp inriep in verband met de toestand van de moeskopper.

Moffaert E., met gebogen hoofd op de rand van de greppel gezeten, zag eruit als Lawrence of Arabia na maanden woestijntochten. Probeer dan maar eens je leven een andere wending te geven!

‘Hulpbibliothecaris??’ deed een ondervrager verbaasd. ‘En ge komt ook wel van ver, zie ik hier!’ Ebenezer knikte.
‘Van aan zee’, mompelde hij stilletjes.
‘Van aan zee hé… ‘
‘Van aan zee,’ herhaalde Ebenezer, alsof dat het leed kon verzachten, maar het leek de afstand nog te vergroten. Ellende alom op deze zomernacht.
‘En wat deed gij hier in een Oost-Vlaamse gracht?’
‘…’
‘Met een kniptang en een steekschep? Hé??’
‘…’
‘Komt gij straks maar eens mee met ons, meneer de boekenwurm. Maar we gaan eerst die smeerboel van u afborstelen. De cleaning service komt zo. Ha ha.’

De volgende dagen, tijdens een periode van landelijke komkommertijd, haalde Moffaert E. aka Ebenezer Moffaert de voorpagina’s van de meeste kranten. Het begrip ‘moeskopperij’ werd uitvoerig ter sprake gebracht. Ook op YouTube kon een deel van de hallucinante greppelscène bekeken worden, dankzij de elektronische nekband van de hoofdgans. De jonge stagiair die bij ‘Snaterkracht’ betrokken was, kon het niet laten.

Ettelijke keren ook werd er dwingend aangebeld bij Moffaert E. Ze vonden inderdaad zijn naambordje rap. De tweede nacht na zijn onfortuinlijke expeditie sloop hij naar beneden om zijn naam uit het vaag verlichte bordje te wrikken. De rest van zijn vrije zomerdagen verbeidde hij in afzondering en angst: over twee weken moest hij zich weer in de openbare bibliotheek melden. Er wachtte hem ook nog een politioneel onderzoek. Het openbare leven van Ebenezer Moffaert, ‘Moeskopper van de Kust’, zou voortaan een hel worden. Heb dan eens een avontuurlijk plan!

Sjors DNO

SLUIS!

SLUIS!

‘Verzaken aan je plicht kan een held van je maken. We zeggen en schrijven 1606, tijdens de kermisdagen in Sluis. Jantje van Sluis, de klokkenluider, was dronken geweest. Hij versliep zich die volgende ochtend. Zo vergat hij de klokken te luiden. Bij dat eerste klokgelui wilden de Spanjaarden ten aanval trekken. (Sluis was hun voorheen weer ontfutseld door de Hollanders. Ze wilden het terug). Dat bleef dus maar uit. Zo redde Jantje Sluis. Als dank mocht hij voor altijd de klokken in het Belfort van Sluis bespelen.’

Ik hield van water en wind. Daarom zocht ik vaak plaatsen op waar deze combinatie zich voordeed. Toen ik ontdekte dat er in deze woestenij ook aardige mensen woonden, frequenteerde ik meer en meer Nederland. Dit geschiedde bijvoorbeeld in Alkmaar, Amsterdam, Utrecht, Volendam, Leiden, Rotterdam, Dordrecht, Zwolle, Vlissingen, Breskens en het vaakst Sluis: we woonden immers een tijdlang in het nabije Brugse Vrije.

Andermaal was ik in Sluis, het immer drukbeklante voorportaaltje tot Zeeuwse landschappen. Ik zat vanuit drankhuis Jopie naar het stadswater van Sluis te staren. Een man in oranje werkplunje dompelde middels een touw twee emmers in dat water, haalde die op en verdween ermee in een straatje waar vroeger sexshops (met die gevaarlijke x) waren. Werkte zijn voorbeeld aanstekelijk? Ik vroeg onmiddellijk hierna mijn derde whisky. Omdat ik gedachteloos wenste te blijven, stelde ik me ook geen vragen over de zin van zijn bezigheden. Misschien waren zijn hersenen zo groot als die van een kip, en kaderde hij in een sociaal rampenplan van het stadje Sluis. Misschien had ik een visioen dat zich medio jaren zestig in de vorige eeuw afspeelde, toen mijn ouders nog maandelijks naar Albert Heijn in Sluis trokken om proviand in te slaan. Misschien betrof het een spookbeeld van een Spaanse krijgsgevangene, die ooit mee het kanaal had moeten graven. De kerel kon zich ook te veel te goed gedaan hebben aan ‘Kanaalspuug’, een jenevervariant die in Jopie werd geschonken. Hij wou bijvoorbeeld zijn maaginhoud terug. Schraperige Hollanders. Ach, ik en mijn whiskygedachten.

Er passeerden twee vreselijk mooie schoolmeisjes. Het was bladervakantie. Ik duwde mijn gedachteloosheid weg en bestudeerde de deernen tot ze uit mijn zicht verdwenen waren. Een appeltjes- en een peertjesfiguur. Dat had ik onthouden uit een modegrillig programma op de vrouwvriendelijke zender Vitaya. Die sjablonen waren best bruikbaar. Trek je van kleren maar niks aan, schat.

Dode bladeren waaiden over de straat weg en mijn gedachten sloegen evenzeer een hoekje om. Het stadswater rimpelde; mijn verse whisky knisperde. Op een flink boogschot van hier stond het gedenkbeeld van de ‘Dikke van Dale’, in levenden lijve een ziekelijke, schriele man (Johan Hendrik) die in oude tijden elke ochtend veel te vroeg opstond en ondanks diverse aanbiedingen zijn Sluis niet wou verlaten.  Ik zou om hem te eren gaan tafelen in viersterrenrestaurant De Dikke Van Dale, net buiten het centrum gelegen. Maar gezeten in het alleraardigst drankhuis Jopie kreeg ik veel meer zin om onder te duiken in een van de vele kleinere mosselrestaurantjes. In Sluis woekerden ze met ruimte. Er kon er nog altijd wel eentje bij, ongeacht de reservaties.

Aldus geschiedde. Ik veroverde een plaats aan het venster in restaurantje A tot Z, waarbij ik enkele ouden van dagen te vlug de pas af was. Mijn vergelijkende studie van de vigerende mosselprijzen in de Sluisse horeca (de wet toepassend die oppervlakte per klant, aantal klanten, gezelligheid, kwaliteit en prijs combineerde, kwaliteit (Jumbo?) echter vooralsnog onbekend) deed me kiezen voor de 15,50 € per 1 ½ kilogram Zeeuws ziltig schelplekkers in A tot Z. Ik had her en der goedkopere mogelijkheden gezien, en ooit had ik hier in Zeeland ook nog 22€ per kilogram neergeteld. Alles was mogelijk. Heden echter verkoos ik rust en (ietwat) ruimte om de gegeerde zeevruchten naar binnen te werken. A tot Z leek me die te bieden, ten belope van 15,50 € voor het vaste voedsel. Mijn bereidheid strekte tot 20 € per kilogram, maar dit jaar konden de mosselboeren de prijzen blijkbaar binnen de perken houden. Misschien had het spookbeeld van Belgische mosselen hier een hand in. Of het succes van de kleine Franse mosselen (bouchots) in het nabije Auchan, Roncq.

Eerst zette ik dapper mijn whisky-cruise verder. Ik was immers zeer tevreden over mijn keuze en besluitkracht. Was ik niet doelgericht op deze plaats afgestevend? Alles liep gesmeerd. Ook al zat het restaurant eivol ouwelui die van alles wilden, niet hadden of te kort kwamen. Het verwonderde me niet dat er – naast bejaardentehuizen – op gezette tijdstippen restaurants in de fik vlogen. En dat koks vroeg stierven. Naarmate mijn ogen meer en meer wenden aan het interieure duister, ontwaarde ik meer en meer ouden van dagen, alle hoeken en kanten van A tot Z bevolkend. Ze doemden naast me op als djinns uit flessen en kruiken. Enkelen hadden zich al achter bekers dessertijs verschanst.

Voor een keer – o goed gevoel, o welbevinden – voelde ik me niet opgenaaid omdat kelners/obers/garçons (how do you call these people?) me voortdurend voorbijliepen, links lieten zitten of al helemaal niet opdaagden. Ik hoefde alleen maar wat met de overgebleven ijsschotsjes in mijn glas te rinkinken (die kregen niet echt de tijd om geheel te smelten) en de hele ouwe reutemeteut keek op, waardoor één dier kelners/obers/garçons niet anders kon dan toesnellen en bijvullen. Aldus hevelde ik vlotjes nog eens drie gouden zuiltjes geluk naar mijn inwendige mens over en verordende dan een portie mosselen.

‘Daar zijn we net van uit,’ deelde een ober me droogweg mee. ‘Maar er zijn nog sliptongetjes, en… ‘
Hij keek met gefronste wenkbrauwen naar een wandklok, waarna zijn bedenkelijke blik over de ouwelui-desserten zwiepte.
‘Gevorderd uur, meneer,’ vulde hij verder aan.

Ik zei niks. Ontzetting was mijn deel. Ik had de Sluisse horeca middels zes whisky’s welvarender gemaakt en nu dit. Een bittere, nuchtere vaststelling.

‘Daarnet nog zag ik een kerel mosselen uit het kanaal vissen,’ merkte ik op. ‘Hoe kan dat nu dat… ‘
‘Pardon?’
‘Ja: een man in oranje. En in Zeeland… ‘
‘Meneer: ik kan u de sliptongetjes aanbevelen. Zo klaar, hoor.’
‘Twee volle emmers. Met twee volle emmers verdween hij. Volgens mij… ‘
‘Maar ik volg u niet, meneer,’ onderbrak de ober kregelig. ‘De mosselen zijn op. Op is op. Toch?’
Woede welde in mij op.
‘Ik wil A tot Z zelf spreken.’
‘Wat?!’
De ober schoot in een lach (hoorde ik intussen niet ergens vlakbij Die kokkelkop is ver heen mompelen?) en wenkte zijn twee kompanen.

‘Bent u een stand-upcomedian? Is er misschien een candid camera in de buurt? U bent Belg, nietwaar? Is het niet?’
‘Dat zijn veel vragen ineens, Jantje. En woon je misschien in Leiden? O, je hebt je pinguïnmaten erbij gehaald, zie ik. Versterking. Sterkte. Dikke maatjes, hé? Staan jullie al in De Dikke?’
‘Ik heet niet Jantje, meneer.’
De andere twee bekeken me met medische belangstelling.
‘Jawel, en je zag pruimen hangen.’
‘Zou u niet beter… ‘
‘Ik ben geen lustobject. Ik wil zeevruchten afwerpen.’

Ik merkte plotseling dat ik een hele zaal toeschouwers had, die me met open gebitten aanstaarden.
‘Getverderrie!’ deed ik. ‘Kom ik van zover en krijg ik… ‘
‘Meneer… ‘
‘A tot Z: mijn voeten. Jullie wilden allicht het haantje-de-voorste in het alfabet zijn, hé? Waarom niet Van A tot Z? Hé?’
‘Meneer… ‘
‘Of Coq-au-Vin? Vol-au-Vent? De Wind Vanachter? Een nederig plaatsje achter in de Vette Van Dale?’

Flitsherinnering aan zachte dwang grenzend aan hardhandigheid manu militari. Ik trof mezelf even later op straat aan, die zich om mij heen bewoog als een darmkanaal. Alles deinde, zette uit, kromp. Het gedenkbeeld van De Schriele Dikke op het Walplein in de verte bood me een houvast.

‘Kies een vast punt in de verte als je optreedt, boven de hoofden heen.’
(Een of andere betweter uit mijn verleden.)

Ik hield de woordenboekachtige workaholic star in mijn vizier en stapte aldus geleid op onvaste benen naar de parkeergelegenheid à 2 €/dag… alwaar ik opgewacht werd door de Koninklijke Marechaussee. Dat betekende mijn redding.

‘Dikke, red mij!’ mompelde ik nog, terwijl ik – alweer met zachte hardhandigheid – in een voertuig werd gestopt.

Redding, jawel.

Ik werd gespaard van een auto-ongeval dat welhaast aan zekerheid grensde.
Ik werd bovendien gespaard van de collectieve voedselvergiftiging die op die dag bij de mosseleters in restaurant A tot Z toegeslagen had. Niet minder dan drie ouwelui verwisselden daardoor het tijdelijke met het eeuwige; de rest hield dagenlang het bed in diverse ziekenhuizen in de Zeeuws-Vlaamse grensstreek.

Ik gedenk uit boetedoening Johan Hendrik van Dale in mijn toekomstige tafelgebeden.

Ik drink tevens op de gezondheid van Jantje van Sluis. Immers: ook ik werd van vreselijke dingen gered door drankmisbruik en het overslaan van een middagmaal.

Sjors DNO

DRIEKONINGEN

DRIEKONINGEN

‘Dat moet toch allemaal stukken van mensen kosten,’ merkte Rapunzel zuchtend op, terwijl ze zich weer omdraaide.
‘Eh?’ deed Attila verstrooid.
Hij was ver heen, hoewel hij vlak bij haar was. Nu weer in haar, met name, en niet in de stadsschouwburg, waar hij vanavond eigenlijk hoorde te zijn.
‘Dat dat toch allemaal veel moet kotsen … eh … kosten,’ herhaalde Rapunzel gesmoord lachend.
‘Wat?’ hijgde Attila.
‘Ewel: al die vreemde groepen die hier komen spelen, en dat moet toch ook eten en slapen?’
‘Welke vreemde groepen?’ vroeg Attila, terwijl hij onvolkomen in haar kont klaarkwam.
‘Wel, waar gij vanavond naartoe moest gaan luisteren.’
‘O, die.’
Hij deponeerde de laatste druppel haastzaad in Rapunzels lijf en hoorde gelijk een flard tziganemuziek die hij vanavond moest missen. De Stedelijke Plantsoendienst had gratis gesponsorde tickets voor het optreden uitgedeeld. Boomchirurg Attila had geen zin om op een maandagavond in de pluche van de schouwburg zijn tijd te gaan verdoen. Als hij al rood en fluweel en schemerlampen wou, dan moest hij bij Rapunzel zijn. In Rapunzel. Aldus was geschied. Zijn lid floepte weer uit haar achterste liefdesgrot.
Het was vijf voor negen. De tziganes in de schouwburg waren al bijna drie kwartier bezig op hun vreemde, weemoedige instrumenten.

‘Attila?’
‘Ja?’
‘Hoeveel maandagen komt ge hier nu al bij mij?’
‘Dat zou storen zeker moest ik nu nog naar dat optreden gaan?’
‘Hé?’
‘Mijn baas zal daar misschien ook zitten.’
Ze grepen allebei naar hetzelfde pakje sigaretten en bliezen even later zoals elke week hun postcoïtale rook naar het plafond.
‘Zo’n schouwburg heeft iets hoerachtigs hé, vind je dat ook niet?’
‘Pardon?’
‘Ewel: dat duister, die lampen, die zetels … ‘
‘Ik zou het niet weten. De laatste keer dat ik … ‘
‘Zouden ze me missen?’
‘Wie?’
‘Roderick en Tatjana gingen gaan. Anseeuw misschien ook. Van de anderen van de Groendienst weet ik het niet.’
‘Ge mocht gerust gegaan zijn van mij, hoor. Mijn badkamer is lijk een Spaans bordeel.’
‘Wat wil je daar nu mee zeggen?!’
Attila stulpte boos een rookpluim uit.
‘Was het niet goed misschien?’
‘Ja ja, daar niet van, maar mijn badkamer moet nodig een keer … ‘

Attila ging half rechtop zitten en overschouwde het slagveldje kleren in de slaapkamer. Hij inspecteerde ook sluiks zijn liefdesslakje, dat zich als een verloren voorwerpje tussen zijn dijen weg probeerde te stoppen. Het gerimpelde ding had daar ontstellend weinig moeite mee, constateerde hij. Moest hij ook niet aan de pil?
Rapunzel monsterde haar loverboy vanuit haar ooghoeken en deed er even het zwijgen toe. Ergens in de omgeving signaleerde iets dat het negen uur was.

‘Wat was dat?’
‘Mijn elektronische agenda. In mijn tas.’
‘Waar staat je auto?’
‘Zoals gewoonlijk.’
‘Begint dat niet op te vallen?’
‘Mijn auto staat altijd overal in de stad.’
‘Maar nooit onder een boom, hé?’
‘Nee, nooit onder een boom.’

Plotseling rinkelde de deurbel lang en indringend. Iemand wou blijkbaar echt wel dat er open werd gedaan. Attila keek vragend naar Rapunzel, die recht geveerd was.
‘Verwacht je iemand misschien?’
‘Niet dat ik weet.’
Kort daarna snerpte andermaal driftig gerinkel door het huis. Attila veerde nu ook recht. ‘Wie mag dat zijn. ’t Is negen uur.’
‘Weet niet.’
‘Ga je serieus opendoen? Je bent niet eens gekleed.’
‘Toch even loeren hé.’
Rapunzel wikkelde haar tietjes en haar tweestromenland in een geruite deken en ging nieuwsgierig postvatten aan het venster. Als ze op haar tenen stond en de rechter gordijnhelft twee centimeter naar links bewoog, kon ze een stiekeme blik werpen op het territoriumpje beneden aan haar voordeur. Plotseling ontspande zich de sfeer als vanzelf: vage flarden driekoningengezang woeien de overspeligen één-hoog tegemoet.

‘Godver, ’t is ook nog waar. ’t Is weer de tijd van ’t jaar.’
‘Wat ga je doen? Je gaat toch niet naar beneden zeker?’
‘Maar allez … ’t zijn de Driekoningen.’
‘Dat hoor ik ook wel, tiens.’
‘Komaan, voor ene keer,’ pleitte Rapunzel, terwijl ze haar lijf al steviger insnoerde. Een boetekleed.
‘Doe wat je niet laten kunt,’ zei Attila knorrig. Hij greep naar een verse sigaret en liet zich weer achterovervallen op bed. ‘En wat geef je aan drie … eh … aan die schooiers?’
Rapunzel haalde haar schoudertjes op. Ze stommelde de trappen af, graaide in de keuken een pakje zoutkoekjes mee en liep naar de voordeur.

‘Drie-ko-ningen/drie-ko-ningen/geef mij ne nieu-we-noet … ‘

Rapunzel zette grote ogen op toen ze de deur opende. Ten eerste waren de Driekoningen met z’n vieren. Ten tweede waren ze alle vier minstens een meter tachtig en al geruime tijd geen kind meer.

‘ … mijnenouden is ver-sle-ten … ‘

En ten derde waren de drie vierkoningen allemaal zwart. Het enige wat klopte: het waren allen mannen.
‘Maar ge hebt geen ster mee,’ constateerde Rapunzel, toen het gezang abrupt stopte. De acht witte oogballen flitsten even van het wijze oosten naar het verre westen. Een vreemd, onbehaaglijk gevoel overmande Rapunzel. Ze verkruimelde per ongeluk de zoutkoekjes in haar rechterknuist en probeerde herkenning te vinden in een aantal van die gecamoufleerde gezichten.

‘Zijt gij alleen thuis, meiske?’
‘Hebt gij iets over voor de driekoningen?’
‘Heb je niet koud, zo met bijna niets aan?’
Onderdrukt gegrinnik en gegrimlach. Een walm van alcohol waaide haar tegemoet.
‘Sla de deur toe!’ flitste het door Rapunzels hoofd. ‘Attila!’
‘En wat houdt gij daar in uw handje?’
Een van de koningen deed een stap naar voren. Hij rook naar vrouwenparfum.
‘En ge zijt met vieren … ‘ piepte Rapunzel nog.
‘We zouden nog een koningin kunnen gebruiken,’ fluisterde hij hees in haar linkeroor. ‘We gaan van u een koningin maken. Ge hebt al uw koningsmantel aan zie ik. Weet ge hoe ze het lief van een boomchirurg noemen? Nee? Een takkewijf. Wilt ge liever geen koningin zijn? Hé?’
‘Is Attila hier?’ vroeg plotseling een koning die nog niets gezegd had.
Rapunzel schrok. Het was gevaarlijk om zowel ja als nee te antwoorden. De herkenning kwam van de andere kant, en werd een dreiging.
‘Attila!’ riep ze plotseling, terugdeinzend. Het pakje zoutkoekjes was nu geheel verpulverd. In een gekke opwelling van verweer gooide ze het naar de koningen.
‘Ah, gaan we geweld gebruiken, ja? Dan hebben wij recht op zelfverdediging hé!’’
Het pakje zeilde de donkere, verlaten straat in.
Rapunzel wou de deur dichtdoen, maar een koninklijke voet belette dat. In een oogwenk stonden ze allemaal in het halletje, nadat de laatste koning nog even vlug de straat afgespeurd had.

Andermaal veerde Attila recht toen hij het ongewone gestommel beneden aan de voordeur hoorde. Hij drukte zijn sigaret plat, griste zijn broek van de grond en hupte richting trap. Op de bovenste trede al bukte hij zich om zich te vergewissen van de toestand.
‘Rapu … !’
Meer kwam er niet uit. Vele fracties van een seconde later lag Attila als een halfnaakte gebroken ledenpop een verdiepinkje lager, tussen tien voeten die toebehoorden aan vijf verbouwereerde gezichten.

De stedelijke boomchirurg was dood. Zoveel was zeker. Doder kon niet. Dat zag je zo. Op het ogenblik dat Rapunzel aanstalten maakte om een huizenhoge gil te slaken, vluchtten de Vierkoningen ijlings het huis uit. Verbijsterd keek ze hun wapperende gewaden na, terwijl haar eigen dekentje van haar lichaam op de grond gleed. Ze greep ernaar, om te beletten dat het in bloed werd gedrenkt. En toen kwam die gil er, lang en snerpend, want in een laatste zichtbare kramp had het dode lijf van Attila nog even bewogen.

Worden er bomen gesnoeid in de duistere periode waarin des avonds tientallen Driekoningen hun opwachting aan deuren, portieken en poorten maken? Welzeker. De enige boom in het tuintje van Rapunzel dijde inderdaad breed uit, zo breed dat enkele zware takken zelfs al de ramen van de eerste verdieping betastten. Zodus. De slaapkamer van Rapunzel bevond zich daarom aan de straatkant. De kamer aan de achterkant gebruikte ze voor andere doeleinden. Tja.

Zitplaats M – 10 (rechterkant) in de stadsschouwburg was die avond onbezet gebleven. De boomchirurg Attila V. van de Stedelijke Plantsoendienst (een vrouw, twee kinderen) had deze gesponsorde plaats niet ingenomen, noch voor, noch na de pauze. Zijn auto werd aangetroffen op de grote parkeerplaats van het oude douanedepot, ver van de schouwburg, maar nergens echt dichtbij.

Rapunzel, ondergebracht op de loonlijst van de onderhoudsdienst van het stadhuis, kon op de meeste vragen afdoende antwoorden en op enkele opwerpingen schouderophalend reageren. Alleen de volwassen Vierkoningen baarden de autoriteiten zorgen. Ampele navraag bij de bewoners in de betrokken straat leverde helemaal niks op: het was een steenweg buiten de Oude Ring om de stad, waar om de tweehonderd meter een huis stond. Wat zouden in ’s hemelsnaam Driekoningen daar uitvreten? Zo ver van het centrum verwijderd? Deze bedenking pleitte zowel helemaal tegen als helemaal voor Rapunzels verhaal. De stad splitste zich in believers en non-believers op.

Viér koningen? Zijt gij dat wel zeker, Rapunzel?
Ge zijt aan iets vreselijks ontsnapt, Rapunzel.

Attila’s weduwe verbeet haar woede en verdriet thuis. Het begraven van haar hoogtewerker liet haar koud, maar omwille van de kinderen liet zij alles zijn gewone, zwarte gang gaan. In de kerk bleef een zitplaats onbezet. Rapunzel was tijdelijk of misschien voorgoed ondergebracht in De Brede Veertien, gebouw C, Observatie. Later kon het nog gebouw E worden. Over de gelederen van de Stedelijke Plantsoendienst daalde stilzwijgen neer. Blikken werden vermeden; uitdrukkingen werden gemonsterd; elk detail werd scherp geobserveerd en geanalyseerd. De last van de omertà was zwaar om dragen. Die veroorzaakte wantrouwen, argwaan, depressies, ziekte, langdurige afwezigheden.

Twee jaar later ging een ploegje van de Plantsoendienst verse boompjes planten in de Steenovenwijk. Op het middaguur kregen ze een sixpack aangeboden van een van de buurtkinderen, gereed geopend. Diezelfde dag meldde zich een vrouw aan de balie in gebouw E van De Brede Veertien. Ze had een driekoningentaart-met-boon gebakken. Wie bij het eten de boon trof, was de koning. Of de koningin.

Sjors DNO

DE AVONDEN

DE AVONDEN

(Een winterverhaal)

Dit extra slothoofdstuk werd in opdracht van het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande & Belfort en het Nederlandse tijdschrift Parmentier anno 06 geschreven en gepubliceerd. Ook in die periode overleed de auteur Gerard Reve. Enkele andere auteurs bezorgden enkele andere klassiekers uit de Nederlandstalige literatuur eveneens zo’n extra hoofdstuk. In ‘Deleted Scenes’ van DW&B en Parmentier kunt u ze vinden.

Er was al wat licht – eigenlijk eerder een nukkig onvolledig duister – toen in de late morgen van woensdag de eerste januari 1947 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, wederom ontwaakte. Het tergende getik van een tak van een beukenboom tegen zijn raam was de oorzaak.
‘Juicht. Zingt. We beginnen waar we geëindigd zijn,’ mompelde hij. ‘Looft de Heer. Het woeden van de wereld neemt andermaal een aanvang. Hoor ik daar het vrolijke gebeier van klokken? Deel in de vreugd’.

Spoedig raakte hij weer in een sluimering, ondanks dat takkengedoe.

Een man in een mariablauwe priesterjurk trad hoog op een kansel en verschafte de nodige uitleg. ‘Men vouwe de staart van het gewaad dusdanig,’ sprak hij, ‘dat men als het ware kwispelend zingt, zonder zelf gekwispeld te worden.’ Door de hoogte van het spreekgestoelte leek hij bespottelijk klein. Hij had een marmottenkopje. Frits zag scherp toe op de spreker. Waar had deze voorganger het over?

‘ … want voorwaar dient de hond slimmer te zijn dan zijn staart, anders zou de staart inderdaad met de hond kwispelen en zoiets kan … ‘

Met een rukje schoot Frits wakker. Weer dat ellendige getik. Hij tuurde naar zijn lichtgevende horloge aan de spijker: halftien.
‘Voorwaar, er zijn nog zekerheden in dit leven. Een welbestede dag – dit wordt geen bedorven nieuwjaarsdag, ook al beleven we een woensdag. Niet langer dan een halfuur blijven liggen,’ dacht hij. Hij bewoog het lichaam schokkend, sloeg zijn knieën tegen elkaar, maar belandde in een volgende sluimering. Geen tweede droom bezocht hem, zo leek het. Alleen vroeg hij zich af of men al slapende kon autorijden, met een man aan het stuur die een marmottenkopje had – aan diens rechterkant signaleerde een diepe inham vergevorderde haaruitval. Had hij maar voor zich moeten blijven kijken, in verband met snelheid en veiligheid.

‘Opgelet, het vreugdevuurwerk mag dit jaar een hoogte van tien meter niet overschrijden,’ deelde de man mee.
Plotseling zat Frits zelf aan het stuur. Hoe kon men…
Pas om veertien over tien ontwaakte hij, toen zijn moeder de deur opende en zei: ‘Ik ga de eieren koken, muis. Zou je niet opstaan? Frits?’
‘Ik laat haar driemaal mijn naam zeggen, de lieve goede’ dacht Frits.
Hij bewoog geen vin.
‘Frits?’
Nog eenmaal.
‘Frits?!’
‘Moeder?’
‘Heb je goed geslapen?’
‘Ik weet het niet, moeder, want ik heb geslapen. Hoe kan ik daar nou op antwoorden?’
‘Zou je niet opstaan?’
‘Ja, lieve goede,’ mompelde Frits.
Hoe kwam het dat hij weer zo slecht geslapen had?
‘Ik weet dat niet,’ dacht hij. ‘Want misschien heb ik geslapen. Hoe kan ik dat nou weten? Toch hield die verdomde boomtak me… ‘
Woede tegen de benedenburen steeg in hem op. Het was hun tuin en hun boom.
‘Er was eens een neger,’ sprak Frits tegen zichzelf, zich half oprichtend, ‘die des ochtends ontwaakte. Toen hij merkte dat het nog donker was, ging hij maar weer liggen. Eieren. Haar goedheid is groot’.

In de woonkamer zat reeds de mannelijke ouder. ‘Er is een Josje in Apeldoorn en er is een Josje in Alkmaar…‘ zeurde een stem op de radio, ‘… en laten die twee nou net vandaag jarig zijn en…‘
‘Dag vader,’ groette Frits zijn verwekker. Het voelde aan alsof hij vanuit de dieptes van zijn luchtpijp door middel van een hijskraan een rochel opriep – deze begroeting, matineus van aard, bereikte de linkeroorschelp van de man, reeds geschoren en gereinigd.
‘Een zalige deelneming aan het kerstgebeuren wenste ik u al, ik wens u heden andermaal, in dit scherpe daglicht, een voorlopig Nieuwjaar,’ zei Frits harder, terwijl hij even op de linker voorarm van zijn vader tikte.
‘Dag jongen. Een voorspoedig Nieuwjaar.’
De voorarm bewoog zich even, op weg naar een handdruk, die nimmer plaatsvond, want door de schuifdeuren verscheen zijn moeder.
‘Moeder!’ riep Frits uit. ‘Een goed jaar, moeder!’
‘Dag muis, een voorspoedig jaar,’ zei moeder, ze nam zijn hoofd in beide handen en raakte het even met beide lippen aan.
‘Ik heb de afstand tussen schuifdeuren, tafel en linkerarm des vaders verkeerd ingeschat,’ dacht Frits. ‘Men beweegt zich op deze eerste dag van het nieuwe jaar terdege aangesproken. Weldra heerst werkloosheid in de rangen van het Leger des Onheils.’
‘Hardgekookt, is dat goed?’ sprak zijn moeder. Ze nam een ei uit de schaal op tafel en legde dat op het bord van Frits.
‘De kansen op het welslagen van deze dag worden geringer,’ dacht Frits. ‘Sta ons bij.’
‘Goed geslapen, jongen?’ informeerde zijn vader.
‘Nu scherp toezien,’ dacht Frits. ‘Ik deel hem het volgende mede.’
‘Het is maar,’ antwoordde hij, ‘dat men dat niet kan weten. Ik bedoel: stel dat men goed heeft geslapen, hoe kan men dan des ochtends weten of men inderdaad goed heeft geslapen? Men heeft immers geslapen. Kan men getuige zijn van zijn eigen slaap? Anderzijds is er ook: de boom. Ik wil het met u, geachte toehoorders, over de boom hebben. Luistert allen aandachtig.’
Zijn vader peuterde met een potlood in zijn linkeroor.
‘Deze mededeling dringt niet door,’ dacht Frits, ‘ook niet op deze allereerste verse dag van een nieuw jaar. Noch in het linkeroor, noch in het rechteroor, noch in beide samen, ook nog genoemd: het gehoor. Het is een talent. Komt er alsnog uitsluitsel?’
‘Een goede nachtrust is belangrijk, het wordt een drukke dag,’ zei zijn vader. ‘We zoeken vanmiddag de familie Geitenkooi op. Hou zolang de kachel aan de praat, Frits.’
Hij sloeg hetzelfde boek als gisteravond tijdens de jaarwende op, trok een stoel bij, legde het boek op de stoel en ging op de divan liggen.
‘Waarom in godsnaam niet eerst de divan en daarna de stoel?’ vroeg Frits zich af. ‘De volgorde is volstrekt verkeerd.’ Woede steeg in hem op. Hij tikte boos op zijn ei en zei: ‘Betreffende mijn slaapgedrag, vader … ‘
‘Eh?’
‘Moeder, hoe hard ook: dit ei is voortreffelijk. Dit terzij. Dat rijmt. Die uitbundige vertakking van de boom in de tuin van de benedenburen houdt me wakker. Kan hier ingegrepen worden? Ook al zijn die lui een beetje christelijk? Vader, ik heb het momenteel tegen u.’
‘Ja,’ zei zijn vader.
‘De familie Visser belet me mijn nachtrust.’
‘Nachtrust is goed, jongen.’
Frits wendde zich tot zijn moeder: ‘Weet jij waarom een haas banger wegvlucht voor een witte hond dan voor een zwarte hond, moeder?’
‘Smaakt je ei?’ vroeg zijn moeder. ‘Neem maar nog een kadetje.’
‘Hij – of is het zij? Het kan ook een zij zijn – denkt namelijk dat het een zwarte hond is die zijn broek heeft uitgetrokken om nog harder te kunnen lopen. Of, nog moeilijker, moeder, maar geheel ter zake: zie dit ei. Wat kan een zwarte kip wel wat een witte kip niet kan?’
‘Huup,’ deed ze.
‘Mijn vrolijkheid kent geen grenzen,’ dacht Frits. ‘Ik vermaak de beide ouders hartelijk op deze eerste dag van het nieuwe jaar. Schakelt u volgende woensdag weer in voor het vervolg van deze uitzending.’
‘Vader heeft zijn ei al op,’ zei moeder. ‘We eten vanmiddag de rest van de kadetjes op. Bij de familie Geitenkooi krijgen we een stoofpotje. Ga je Louis opzoeken intussen? Je blijft toch niet te laat weg? Vanavond warm ik nog wat van gisteren voor je op. Er is om zeven uur dertig Opnieuw Hervormde zang op Hilversum.’
‘Dat komt,’ zei Frits, ‘omdat een zwarte kip wel een wit, maar een witte kip geen zwart ei kan leggen. Kalm aan met de jus vanmiddag, vader, maak er geen sloot van bij de Geitenkooiers.’
‘Er wordt geen sneeuw voorspeld,’ zei zijn vader, opkijkend uit het boek. ‘Waar heb ik mijn pijp gelaten?’
‘Louis Spanjaards?’ opperde zijn moeder. ‘Of ga je met wensen bij Bep langs?’
‘Hoort, hoort, hier eindigt de spot,’ dacht Frits. ‘Het genoegen was geheel aan mijn kant. Hoei, boei.’
‘Louis,’ zei hij. ‘Misschien valt er wel iets te drinken. Een vers jaar is immers ingetreden. Geen sneeuw. Geen inkeer.’
Hij pulkte een kadetje open en sneed het afgekoelde ei in de holte.
‘Hardgekookt biedt meer mogelijkheden, moeder,’ zei hij. ‘Tire tire tire boemsekee.’
‘Huup,’ deed zijn moeder weer.

Omstreeks het derde uur in de middag kamde Frits zijn haar, poetste zijn tanden en daalde de trap af. Het hondje van de benedenburen Visser kefte opstandig. De ouders waren inmiddels al vertrokken naar huize Geitenkooi, na het opheffen van de hand. Ook in de benedenvertrekken heerste stilte.

(‘De kachel, muis, voor je naar Louis vertrekt.’
‘Het hoofdwerkwoord ontbreekt,’ dacht Frits. ‘Verdomde kachel, maar toegegeven: men heeft het graag warm.’
‘Dag moeder, dag vader, laat mijn wensen voor de familie Geitenkooi u beiden vergezellen,’ zei hij. Op krek hetzelfde ogenblik vertrokken ook de benedenburen Visser-met-de-halve-gordijntjes op nieuwjaarstocht, met achterlating van het hondje. De begroeting in de kleine duistere traphalle verliep beiderzijds deels christelijk, doch vrij hartelijk. Het pand liep leeg, terwijl een hevige koudejaarswind even door het halletje walmde.)

‘Het dier is er nog,’ mompelde Frits. ‘Niet dat keffertje, maar een boomtak is mij bij nachte onwelgevallig’.
Hij hield halt halverwege de trap.
‘Louis kan even wachten. Of wordt het Maurits? Zal ik beiden met een bezoek verheugen? Heb ik mijn shagdoos bij me? Dit noemen we nu: een opwelling. Zie barmhartig toe, Here, hoe ik eerst een wonder uwer natuur een behandeling geef. Zegge en schrijve: een amputatie. Er zijn geen getuigen. Het blijft vooralsnog onopgemerkt. Het zal niet gezien zijn.’
Frits schopte tegen de trapleuning. Weer sloeg het keffertje aan.
‘Mij kun je niks maken, ongedierte. Andere deuren zijn in dit pand voorzien. Looft de heerscharen der schrijnwerkers.’
Frits besteeg opnieuw de trap en ging in het keukentje het grondsop uit de bessen-appelfles opdrinken, het laatste restje van de viering der jaarwisseling.
‘Meer is in ons. Op het welslagen van onze onderneming.’ Hij boerde luid.
Beneden aan de trap gaf hij een harde schop tegen de deur die toegang verschafte tot de vertrekken der Vissers.
‘Van Egters, Frits, de Heer zij met u,’ fluisterde hij hees. ‘U geeft niet thuis? Ook goed.’
Hij schopte nog eens onzacht tegen de deur en bonsde er terzelfder tijd met zijn rechter vuist op. Het hondje kermde driemaal hartverscheurend en zweeg dan stil in gespitste verwondering.
‘Heb erbarmen met dit hondenleven. Maak het kort.’

De achtertuin van het pand Schilderskade 66 was voor alle bewoners betreedbaar, maar behoorde wel degelijk tot de onroerende goederen van het gelijkvloers woonachtig zijnde gezin Visser. Via enkele deuren verschafte Frits zich toegang tot de tuin. Het woei stevig.
‘Hoort dit hondenweer wel op een eerste januari?’
Vooraleer hij zijn aandacht kon toespitsen op die klereboom, de enige boom die er stond, want meer ruimte bood de tuin niet, trapte hij in een hondendrol.
‘Ho-Ho-Ho! De tragiek van hondenpoep! Nu wordt de Kerstman waarlijk boos!’
Hij schraapte zijn rechter zool over het harde wintergras.
‘Halleluja, u dacht de hoofddrol in dit drama te zijn? Niks van aan. Hier is niets. Vredigheid heerst alom. Laat hier alles een aanvang nemen. Mijn nachtrust is niet goed, hij is heilig.’

Belendend waren er ook stadstuintjes, gescheiden door manshoge muurtjes. In de tuin was zich een te grote beuk aan het ontwikkelen. Een tak ervan reikte tot aan zijn raam. Bij winderig weer tikte die tak in een tergende, onvaste percussie telkens weer tegen dat raam.

‘Wat is de zin van een boom? De kruin herhaalt immers de wortel, de wortel herhaalt immers de kruin, de kruin herhaalt immers de wortel, de wortel herhaalt immers de kruin, de … ‘

Verscheidene keren al was Frits woedend uit zijn bed gesprongen, aanstalten makend om …

…maar ofwel was het in het holst van de nacht …

…en sliepen de benedenburen natuurlijk ook de onschuldige slaap der kerk-

gangers …

… ofwel stokte hij weer in zijn driftbui omdat hij besefte dat

  1. hij nooit zou durven aan te kloppen beneden;
  2. dat strontmormel zeker zou aanslaan;
  3. er onchristelijke woorden over zijn lippen zouden komen;
  4. en erger: zijn beide verwekkers zich bij nacht en ontij in hun nachtgewaden neerwaarts zouden spoeden;
  5. … zodat de Boom der Kwaadheid welig tierde tot in der eeuwigheid …

Ingrepen vanuit zijn bovenkamer zelf waren onmogelijk: de tak was inmiddels te stevig ontwikkeld, en die danste ook telkens weer ongrijpbaar weg in het donkere zwerk. Een tantaluskwelling.
‘Aldus worden mijn territoriale luchten bij herhaling geschonden. Een der vele Scheppingsfouten. Zie ook de trefwoorden: Hiroshima, Dresden,’ mompelde Frits.

Die verdomde beukentak vormde de falanx van stormen en onverwacht opstekende onweersbuien. Ooit was het jongensboekachtige ruitentikkerij geweest; gaandeweg werden het regelrechte aanslagen, naarmate de tak dikker werd en uitdijde. Frits vreesde zelfs voor het voortbestaan van zijn raam, dat spiedluik dat uitgaf op de diepten van ellende in een stille drollenwereld aan de achterkant van de woningen. Naarmate de donkerste avonden en nachten elkaar opvolgden, en december zich als een winderige rukmaand manifesteerde, was het bij Frits ook meer en meer begonnen te kolken.

‘Nu is de maat vol.’
Frits monsterde de boom en zijn raam. Hij piepte ook even aan het achterraam benedendeks.
‘De Vissers geven inderdaad niet thuis. Juicht,’ mompelde hij.
Oudtestamentische duisternis had hun woonhol ingepalmd.
‘En de Eerste Dag rustte Hij niet. Uit de chaos schiep Hij orde.’
Hij haastte zich naar hun minuscule tuinhokje. Daar griste hij een getande handzaag van een spijker in de muur. Terug in de tuin bedreef hij meetkunde met zijn ogen, gehandicapt door de heen-en-weerzwiepende variabelen der takken. Kon hij rechtstaande op dat scheidingsmuurtje de pesttak in diens achillespees bereiken met zijn zaag en tegelijkertijd zijn evenwicht behouden? Waar hield hij zich dan aan vast? Zou hij misschien de boom zelf in moeten klauteren om zekere hoogte te bereiken? Dan moest hij…

Frits knikte en deponeerde resoluut de zaag op het muurtje. Daarna hees hij er zichzelf op, via een gek opsprongetje. Hij zocht zijn evenwicht en bleef even roerloos staan om op adem te komen en aan zijn nieuwe positie te wennen. Dat lukte. Bij de gedachte aan een eventuele plotse thuiskomst van zijn buren diende hij ijlings zijn sluitspier te commanderen; een halve minuut lang kromp hij in een volstrekt idiote houding ineen. Toen kon-ie wel weer.
Hij reikte naar zijn zaag en ontdekte dat hij met zijn ene voet op het blad stond.
‘Getverderrie, stom handwerktuig.’
Daarna bedreef hij weer wat meetkunde, vanuit het nieuwe perspectief. Hij kreeg nu ook af en toe het buitengeluid te horen van die verdomde tak tegen zijn raam.
‘Voorwaar: wie zich ooit ginds boven te slapen legde, moet een groot geduld geoefend hebben. Looft deze man, voor wie duizend jaren als de dag van gisteren zijn.’

Via een faseplan beklom Frits vervolgens de beukenboom. Hij mikte telkens de zaag ergens tussen handig gevorkte takken boven zijn hoofd, en volgde dan zelf. Dat had af en toe wat voeten in, nou: boven de aarde, ondanks ontstentenis van gebladerte. Vooral zijn hoofd kreeg het hard te verduren. Tot zijn eigen verbazing bevond hij zich toch plotseling al enkele meters boven de begane grond, richting kleretak. Het blad van de zaag, dat af en toe opglansde in het namiddaglicht, wees hem de weg. Even nog hield hij halt, opnieuw in verband met zijn sluitspier.
‘Verdomme, had ik me toch maar beter vooraf ontlast. Of kak ik van op mijn tak maar hun tuin in? De keffer doet het ook.’
De laatste fase betrof het betreden van de veroordeelde tak. Die was dik en stevig genoeg, en bood onderweg diverse steunpunten en houvasten.
‘Ook oude bomen worden niet van nieuwe kankers gespaard. Boompje groot, oompje dood, straks beiden dood.’

Frits werd door de stevige wind heen en weer gewiegd toen hij het takkeding betrad. Even droop er een grimlach over zijn tanden. Dan koos hij een veilige dikke zijvertakking als basis, zette hij zich schrap, mikte de tanden van de zaag op wat hij dacht de zwakste schakel in de tak te zijn en begon te zagen. Het blad plooide eerst enkele keren onwillig, maar plotseling kon het feest beginnen. Het lawaai van het gerasp werd overstemd door het gesuizel en gedreun van de boomkruin in de aanzwellende stormwind. Het was een taai karwei. Na ettelijke minuten had hij nog maar een luttele inkeping veroorzaakt. Die zaag had waarschijnlijk al jaren ongebruikt aan de muur in het berghok gehangen.

Een fellere windstoot stak onverwacht op. Fijn zaagsel woei plotseling in zijn gezicht en in zijn mond.
‘Getver!’
Frits staakte zijn arbeid, spuugde, greep naar zijn ogen, zijn mond, kwam enkele handen te kort en verloor toen compleet het evenwicht. Via een vreselijk faseplan, waarbij de zaag hem jammer genoeg alweer telkens voorafging, kukelde hij als een marionet waarvan de speler dronken is naar beneden. Zijn hoge piepstem werd overstemd door gekraak alom.
‘Ik leef niet langer!’ gilde het in hem. ‘Help! Ik haal de eerste avond niet! Alles is voorbij. Het hoeft niet langer. Ik leef niet meer. Ik adem niet meer. Ik beweeg niet meer. Deze verschrikking… deze gruwel… Het doet verdomde pijn… Is het gezien? Zal het niet onopgemerkt blijven?’

Hij plofte niet met een loodzware smak ter aarde neer, nee, die rotklap kwam er niet, hij bleef ergens onderaan haperen met zijn hoofd in de dodelijke houdgreep van een gevorkte tak en werd aldus tezelfdertijd geknakt, verstikt en opgehangen, terwijl de zaag onderweg al haar tanden had gezet in het weekste vlees ter hoogte van zijn lendenen. Als een totaal verhakkelde ledenpop hing Van Egters, Frits gevangen in de grilligheid van een röntgenfoto die de wind heftig heen en weer wiegde. Even later plofte nog een schoen met wat stront aan de zool op het wintergras neer. Boven hem tikte de tak tergend op zijn raam. Het was vooralsnog niet gezien, gehoord. Het was op deze voorlopige dag onopgemerkt gebleven. Het was niet volbracht. Nog niet.

Sjors DNO

ESSENCE

ESSENCE

Zijn gezicht sprak nooit boekdelen. Hij verborg elk hoofdstuk zorgvuldig. Ze staken een hand vooruit wanneer ze hem naderden. Gruwelijk. Zelf deed hij dat nooit. Zweet. De vergadering, de avond, het feest, de party, het etentje was naar de vaantjes wanneer zich dat voordeed. Zeep. Hij zweette water en bloed in de nabijheid van klamhandigen. Beter ware hen een molensteen om de hals te binden en hen in het diepste der wateren te gooien dan dat ze ook maar één vinger naar hem uitstaken. Water. Onwelriekende adems bestreed hij door ononderbroken zacht voor zich uit te blazen. De aanval was de beste verdediging. Andermans adem kon hij moeilijk behappen. Elke ontmoeting eindigde in kokhalzen. Sommigen stonken naar twee warme maaltijden per dag, begeleid door goedkope rode wijn. Deurklinken en dergelijke opende en sloot hij met zijn rechter elleboog. Hij hoopte vaak dat het regende. En woei, zo hard woei dat alles gereinigd werd. Een zelfreinigende wereld.

De heer Vandernoten waste echter nooit zijn handen onder de kraan. Dat zou verondersteld mogen worden. Zo’n krampachtige halvegare die zich twaalf keer per dag verwijdert om zijn handen te wassen en zowat door zijn huid heen wrijft. Nee. De heer Vandernoten was uitermate vies van kraantjeswater. Hij vermoedde dat er urine in zat. En galopkak, veroorzaakt door antibiotica en voedingssupplementen slikkende viespeuken. Dat sommige mensen dat godgenageld nog dronken ook! Nee dus, nooit. De heer Vandernoten had in zijn keuken een kleine zandbak die hij om de twee weken ververste met Noordzeezand, dat hij bij nacht aan de Vlaamse kust oogstte. Daar waste hij om de haverklap zijn handen in, soms tot twintig keer per dag. Uitvoerig baden (gepaard gaande met de gehele onderdompeling van het vege lijf) deed de heer Vandernoten in regenwater, dat hij vermengde met allerlei oliën uit de Maghreb-landen.

Bij het stappen ging de heer Vandernoten een geurkegel vooraf, terwijl hij in zijn kielzog een wolk neusduizeling met zich meevoerde. Men keek niet op of om omwille van zijn uiterlijk. Men haperde wel aan zijn parmantig gedragen bedwelming. Des zomers stootte hij daardoor muggen en ongedierte van zich af. Des winters werd hij achtervolgd door parasiterende okselmensen. Zijn dagelijkse kleren en zijn slaaptextiel waren doordrenkt met een weldoende essence: aanwezigheid van geur. Het resultaat van een jarenlang ontwijken van klamheid, bederf, verrotting, sportvelden, kleedkamers, fitnesscentra en fuiftenten. Zelfs zijn onderbroek – soms met de preluderende of nagelaten remsporen van zijn ontlasting erin – bleef na gebruik een zeker aura behouden. Ja: de heer Vandernoten waste dagelijks zijn lulletje in rozenwater. Jammer dat genot en uitscheiding (dank en stank) zo vlak bij elkaar zaten – een grove fout van de schepper van hemel en aarde, vond hij.

Extra gevaren die de heer Vandernoten belaagden:

duivenkwak op je kop gedropt krijgen;
in een hondendrol trappen;
een dienster die in je eetbord hoestte;
een slager die in zijn neus peuterde;
speeksel van een medemens over je heen gesproeid krijgen;
door anderen afgekloven olijvenpitten die op verse nootjes lijken per vergissing in je mond stoppen;
de fluimen van wielertoeristen incasseren (of zelfs maar constateren);
een echt haar in de boter vinden;
een dode kever in brood aantreffen;
de alomtegenwoordigheid van huidschilfers en dode haren die over de hele wereld verspreid waren;
uitgeademde lucht van anderen inademen;
zwembad- en zeewater slikken;
aangesproken worden door iemand met zichtbare neusharen;
er getuige van zijn hoe iemand na het snuiten de inhoud van zijn zakdoek inspecteerde.

De heer Vandernoten was een Leiaart. Hij woonde in de omgeving van de rivier de Leie, ooit de slagader van een bloeiende vlasindustrie in het zuiden van de provincie West-Vlaanderen. De stank langsheen de boorden van die Leie moet weleer uitgesproken geweest zijn, want het roten van het vlas gaf sterke geurhinder. Gelukkig werd de heer Vandernoten pas later ter aarde besteld, toen de Leie weer als een onbemand dus onbemind traankanaal door beemden en stadjes stroomde en een graad van vervuiling vertoonde waar niemand in die tijden van opkeek of zich om bekommerde. En toen het weer mode werd om schone wateren te eisen, en de Leie ook verbreed werd zodat ze weer met schepen bemand kon worden, en bemind door de oevervolken, en er weer vissen in zwommen, bekommerde hij zich niet meer om de zuivere natuur, want hij had de handen vol met zichzelf.

De Leie zou de heer Vandernoten echter parten spelen. In een samenzwering met een tornado liet ze het op een bepaalde valavond levende en dode vissen, kikkers en allerlei waterdiertjes regenen op zijn woning, zijn tuingazon en uiteindelijk ook op hemzelf. De watertornado zoog die op uit de rivier en dropte die weer aan land. De hele straat deelde in de vissenregen. De tornado ventileerde bovendien ook een aanzienlijke hoeveelheid riviersmurrie in het rond, die het vooral bestond op het perceel Vandernoten en de man zelf neer te dalen. Deze ongewenste bemesting dreef hem tot waanzin.

Terwijl buren en ramptoeristen vooral foto’s namen, lag de heer Vandernoten in krijtstreepjesbroek en muisgrijs zijden hemd te gronde te gillen en met zijn ledematen te wieken als een uitzinnige grasengel op zijn met visseningewanden besmeurde gazon, waar twee zwerfkatten en een nietsontziende reiger reeds duchtig aan het moorden waren geslagen. Eensklaps werd hij in open mond getroffen door een pijlsnel neerdalende tweede reiger, die in hem een reuzenvis zag. De heer Vandernoten vond aldus doorboord de dood. Met zijn laatste zucht steeg nog een restje mondspray ten hemel, terwijl de reiger er met zijn tong vandoor ging.

Sjors DNO

WINNETOU

WINNETOU       

Winnetou Degrande was noodgedwongen een navelstaarder. Hij zat al jaren in een rolstoel en keek dus nillens willens recht in de buiken en navels van de ‘lopers’, zoals hij de tweebenigen noemde. Vaak zeilden de blikken van die lopers zelf over hem heen. Dat hield twee mogelijkheden in.

  1. Hij had net zo goed iets doods onder hun voeten kunnen zijn.
  2. Ze probeerden luchtig om te gaan met zijn beperking en vooral niet naar zijn wielen te kijken die zijn lamme benen vervingen.

Om hem van een dezer mogelijkheden te vergewissen, diende Winnetou Degrande zelf beaat zijn hoofd te heffen en hen ogenschijnlijk onderdanig aan te kijken, als een hondje dat een koekje is beloofd als het eens gaat opzitten.

Aan de beperking van Winnetou was een ongelofelijk verhaal verbonden, niet zozeer omwille van het verhaal dan wel omwille van zijn naam. Zijn naam was er namelijk eerder dan zijn lot. Een pijl had Winnetou’s onderste ledematen definitief verlamd. Dat gebeurde toen hij elf jaar was. Elf jaar lang heette hij al Winnetou, Degrande. Nou, zo’n jongen met zo’n naam kon het in de jeugdjaren toch niet aan pijl-en-boog ontbreken?

De daders die hem zijn naam hadden berokkend (de vrouwelijke en de mannelijke verwekker, die laatste een Karl-Mayfan) kochten hem voor zijn tiende verjaardag een set van boog-en-pijlen waarop een klant- en kindvriendelijk embleem prijkte. Winnetou en zijn maten werden bedreven in de speelgoedversie van de schutterssport. Zo bedreven dat ze meer wensten. Dus begonnen ze ‘echte’ pijlen te snijden en te kerven in het gemeentepark. Zo’n echte pijl trof de inmiddels elfjarige Winnetou Degrande vol in de rug. Na vele hopeloze maanden in ziekenhuizen kreeg Winnetou dan maar wielen voorgeschreven. Van dan af leidde hij een zittend bestaan.

Op twintigjarige leeftijd werd hij dartskampioen op de Paralympics in Seoel. Hij mocht bij de koning op de koffie. Omdat precisie zijn vak leek te zijn, werd hij ook gevraagd voor het nationale rolstoelbasketbalteam. Dat hield hij even in beraad. Hij hield niet van opspattend zweet en lijfgeuren in volle actie.

Winnetou Degrande had een grondige hekel aan het etaleren van tatoeages. Niet aan tatoeages op zich. Hoewel. Sommige waren best wel te pruimen als een soort van (hoeveelste inmiddels? Tiende?) kunst. Maar het ongevraagde showen van persoonlijke iconen op de huid van vooral armen, benen, ruggen en borsten vond hij een inbreuk op de intimiteit zijn. Als je je op pakweg twintig centimeter van zo’n blote heldhaftige bovenarm of beschilderde kuit bevond, was het net alsof je verplicht werd deel te nemen aan een intimiteit die je zelf helemaal niet wenste. Zo’n tatoeage hoestte je recht in je gezicht toe. Om nog maar te zwijgen over de kijkvervuiling in de meeste gevallen: onbeduidende, niet ter zake doende Japanse kronkels, afzichtelijke draken, belachelijk gevederde indianenkoppen en in het ergste geval de vrouwennamen en de doorpijlde harten.

Dat en het gedwongen navelstaren waren Winnetou doornen in het oog. Hij kreeg er een combinatie van voorgeschoteld op een dartstoernooi in Bournemouth: laaghangende bierbuiken en bovenarmse tatoeages.

‘Hoe komen die linksrijdende eilandbewoners toch aan die gigantische bovenarmen?’ vroeg hij zich herhaalde malen hardop af. ‘Vanwaar die grote vleesoppervlakken, waarop ze hun wansmakelijke gedrochten laten schilderen?’
Beer and biology hé,’ grinnikte Freek, een teamgenoot.
‘En jij bent ook niet van de smalste, na al die jaren karren,’ merkte Jill op, terwijl ze een gespierd gebaar maakte. Zij was de lopende mascotte van dartsvereniging Pickery Club, in de volksmond: de pik erin. De eigenaar van hun stamcafé heette namelijk Ivan Pickery. Hij had het af en toe met recht en reden over ‘mijn PC’, die hij sponsorde middels een tweedehands busje om gooitoernooien mee af te dweilen. Zowel zijn café als het busje waren voorzien op lopers en tweewieligen ofte navelstaarders. Van deze laatste categorie telde de Pickery Club er vier; een mooi staaltje voorwaar van diversiteit en flexibiliteit, de intellectuele modewoorden van de laatste jaren.

Bournemouth beloofde een mooi driedaags uitje te worden. Door veel spaghetti te eten, was ook de kas van de PC gespijsd. Jill had daarbovenop nog alsjeblief 300 € gewonnen met een openbare partij strippoker, voor het goede doel. Er kwam zelfs wat subsidiegeld van overheidswege – a posteriori natuurlijk, na het indienen van een dossiertje – omdat het een schoolvoorbeeld betrof van gemixte sportbeoefening en internationalisering. De PC had daar door het vallen en opstaan van alsmaar oude en weer verse regeringen en excellenties handig gebruik van weten te maken.

Mastodonten van mannen en gevaartes van vrouwen namen aan het gooitoernooi deel. Alleen de Bulls uit Exeter telden ook een rolstoelgebruiker in hun rangen, een eenarmige dan nog wel. Zelfs zittend leek hij nog de afmetingen van een reus te hebben.
‘Dat is alvast één getatoeëerde arm minder,’ grinnikte Winnetou tegen Ivan.
‘Ja, maar wij bleekscheten vallen hier wel op door ons blanco velletje hé.’
‘Die Engelsen dragen permanent de oorlogskleuren.’
Winnetou keek strijdlustig om zich heen. In de Pickery Club werd hard op hem gerekend. Hij was immers sedert de Paralympics in Seoel hun kampioen. Na urenlang getok van de pijltjes op de dartborden prijkte PC op de vijfde plaats. Niet mis voor een ploegje van het vasteland, maar het kon beter. Jill wreef Winnetou’s rechterarm en die van de anderen in met een geheime mengeling waarvan ze alleen de ingrediënten ossengal en brollèrt (een Hongaars plantenextract) prijsgaf.

Winnetou kreeg het echter stilaan op de heupen in dit bos van tatoeages op blote basten. Bijna iedereen op dit eiland leek geprikt of geperforeerd. Zowel vrouwen als mannen sjokten met heelder fresco’s op hun vel rond.

Op de derde en laatste dag struikelde zo’n vleselijk gevaarte bij het achteruitstappen over Winnetou en zijn tweewielige vehikel: een kolos met zo’n potsierlijke indiaan in zijn bovenarm gekerfd.
Bloody… !!’
‘Godverdomme… schildersezel!’ riep Winnetou kwaad. Het was even zoeken naar de juiste bewoordingen. De Nederlandstalige omstanders barstten in lachen uit.
Schildersezel!?
Maar het Engelstalige gevaarte – dat langzaam uit zijn bedenkelijke positie weer oprees; hij had even beduusd als een reuzenbaby op Winnetou’s schoot gezeten – gaf geen blijken van goodwill. Hij vatte de schaterbui kennelijk als een belediging op.
‘What did you say, wheelman?’
‘ … ‘
‘Eh?’
Er viel een geladen stilte. De oeros stond nu op drie meter afstand van Winnetou.
‘Come on, man… ‘ probeerde Freek in zijn beste Engels te sussen.
‘You watch your steps, sir,’ voegde Jill hem toe.
‘Fuckin’ wheels… Do we shoot sitting ducks here or what?’

Winnetou’s ogen veranderden in gevaarlijke spleetjes, zoals ze er de fractie voor elke worp uitzagen. Hij kneep hard in zijn bundeltje pijltjes. Ze gloeiden in zijn hand.
‘Bull’s eye!’ riep hij plotseling. Zijn hand rees en hij mikte met volle kracht zijn drie pijltjes tegelijk in de bovenarm van de kerel.
‘Roos!’
De pijltjes boorden zich gezamenlijk in het ene oog op het zijprofiel van de foeilelijke indiaan.
‘Ten points for Belgium!’
Verbouwereerd keek het slachtoffer naar de pijltjes in zijn bovenarm; aanvankelijk vergat hij het uit te schreeuwen.
‘Bastard! Stupid Belgian bastard!!’

Toen waren alle rapen gaar. De eindfase van het dartstoernooi in Bournemouth ontaardde in wat men iets later in de Engelse kranten de DARTS CLASH is gaan noemen. Eén Vlaamse krant bracht het bericht op bladzijde twee, getiteld OP JE VOGELPIK GETRAPT. De volgende dag namen alle andere kranten het bericht over. Er werd duchtig met het woord ‘pik’ gejongleerd. Winnetou Degrande prijkte plotseling op enkele voorpagina’s. De minister trok prompt de beloofde subsidie in. De Pickery Club was geen voorbeeldig ambassadeur in het buitenland geweest, vond zij.
Gevraagd naar een reactie hierop, antwoordde Winnetou:
‘Van een pijlsnelle reflex gesproken.’
Hiermee (en met de hele zaak) scoorde hij bij de bevolking, die hem vijf dagen lang als een Bekende Vlaming beschouwde.

Sjors DNO

JACK-O’-LANTERN

JACK-O’-LANTERN

Bladerdeegmaand oktober was halfweg. Straks kwam het geritsel van november, onderdak voor soldateske Vlaanderenblues, donkere dagen en oranje pompoenvreugde. Bartelijne Boens dreef het mes tot aan het heft in de pompoen. Er welde geen pus, sap of voortijdige pulp uit de wonde; de zomer was droog geweest, met voldoende zon. En Bartelijne had haar pompoenstruik geregeld van water voorzien. De vrucht hoefde bij zijn metamorfose dus niet te bloeden. Kerven betekende in dit geval geen sterven. Er kwam geleidelijk een hologige grijns tevoorschijn, veroorzaakt door twee gaten en een prikkeldraadmond, geschikt om te schrikken. Vervolgens lepelde Bartelijne de rest van de hersenen eruit, die plaats moesten maken voor de verlichting. Zo’n theelichtje hield het elke avond wel een paar uur uit. Sfeer aan de voordeur.

‘Hoe zullen we je noemen, mombakkes?’ mompelde ze. ‘Jack the Ripped? Cutty Pumpkin? Pom pom pom? Oen?’
Het was de laatste pompoen die Bartelijne Boens in haar eigen tuin geoogst had.
Een gezicht – nou: gelaat – kon belangrijk zijn. Dat gezicht een naam geven nog meer. Definiëren. Begrenzen. Begrijpelijk maken. Beveiligen.
‘Wilson?’
Zoals FedEx-man Tom Hanks/Chuck Noland op zijn onbewoonde eiland in de film Cast Away zijn medeverongelukte en –aangespoelde volleybal aansprak? Maar dat betrof aanvankelijk ook een merknaam.
‘Pompoen Wilson.’
‘Jammer dat je geen tweelingbroer hebt.’
‘Wilson Pompoen.’
Een voor- en een achternaam. De vrucht van een conceptie gevolgd door een geboortedatum annex groeiproces.
‘Hoi, oen. Je bent de laatste. Dat je dit jaar traag moge rimpelen.’

Zes kilometer verderop, in het West-Vlaamse Mikschote, deed men aan pompoenslingeren. Ook in het zuiden van de Verenigde Staten werd pumpkin chunkin’ bedreven. In Mikschote, een onooglijk polderdorp in de Lage Landen, was geen bakkerij of slagerij meer. Lange tijd ontbrak zelfs een café, maar sedert 2010 was er weer een. Kristof Blieck, een fervent re-enactor van toestanden uit De Groote Oorlog, had zich over het kaffaat ontfermd. Ze hadden daar wel iets wat niemand had, met uitzondering dus van enkele zuidelijke achterhoeken in de USA: een vereniging die het pompoenslingeren bedreef. In café De Frontduif kwam sedert 2010 de Landelijke Gilde der Pompoenslingeraars samen: 18 Mikschotenaars die elk jaar op de derde zondag van september een slingerwedstrijd met ondermaatse pompoenen organiseerden. Zelfontworpen katapulten, werparmen, ballista’s, lepelblijdes of luchtkanonnen slingerden de babykalebassen tot soms honderden meters ver weg. Hun (Europese) record bedroeg zelfs meer dan 700 meter. Een studie van de middeleeuwse werpwerktuigen door de lokale heemkundige de heer Roger Cafmeyer zorgde voor voldoende variëteit in de slingertoestellen. Die studie (als heemkundige folder verspreid op de toonbanken en in de bibliotheekjes van de lage streken uit de omgeving) was zelfs zo’n beetje de aanzet geweest voor het pompoenslingeren. Verenigingen uit het omliggende werden elk jaar uitgedaagd om mee te doen. Vooral jeugdbewegingen gingen op die uitnodiging in.

Sommige individuen konden het niet laten. Ze bleven schieten en slingeren, tot lang na die derde septemberzondag. Ook de volgroeide vruchten moesten er dan aan geloven. En bij gebrek aan munitie dook een nieuwe plaag op: moeskopperij. De onverlaten gingen eropuit om andermans pompoenen te jatten.
Zo constateerde Bartelijne Boens op een mistige ochtend de verdwijning van haar pompoen. Wilson was weg. Tot dan toe had hij met succes de voordeur bewaakt, met een gekartelde theelichtgrijns op zijn bakkes. Bartelijne werd daar zo boos over dat ze zelf op Wilson Pompoen begon te lijken. Ze liep oranje aan in haar gezicht en knarsetandde zo hard dat het sap van haar gebit droop. Diezelfde avond fietste ze driftig naar café De Frontduif in Mikschote. Het stond voor haar vast dat de dader(s) daar moesten worden gezocht. Het was een rit van een halfuur, want Bartelijne woonde in het naburige Luidschote en het waaide stevig tegendraads.

Het was vrijdagavond. Als er ergens ‘rare toeren’ gebeurden, dan was dat gewoonlijk op donderdagavond: de avond van de studenten, de geheime genootschappen, de verenigingen, de tunnelmensen die het weekend nader tot zich dronken. De meeste fratsen deden zich dan voor. De vrijdagavond werd dan besteed aan het heimelijke verkneukelen. Bartelijne was er vrijwel zeker van dat de dader(s) vanavond in De Frontduif in Mikschote zat(en): de navel van de pompoensport. Wellicht hadden ze vannacht al haar Wilson Pompoen het donkere zwerk in gekatapulteerd en lag hij zwaargehavend te velde. Ofwel wachtte hij ergens in een stal of schuur verborgen met een pijnlijke grimas op zijn eerste en laatste luchtdoop. Een luchtmisdrijf was het!

Het was tegen achten toen Bartelijne Boens de deur van De Frontduif open knalde. Ze deed dit zo overtuigend dat de deur met een stevige bons tegen de zijmuur knalde. Daar hing op die hoogte een schilderij, voorstellende een pompoenstilleven op een schaal met een waterkan en een fles erbij. Het lelijke ding leek dolblij dat het eindelijk bevrijd werd uit dat stille leven: de oranje, gele en rozerode vruchten kukelden met de kan, de fles en de schaal krakend en splinterend te gronde. Alles wat kon breken, brak. Tussen de deur en de muur geplet gaapten de kalebassen in een verwrongen grijns. De resten van het goedkope houten kader staken als knoken her en der uit.

Vijf mannen en twee vrouwen keken ontzet om. Rita Deneve zong net Ik loop al wakende te dromen / omdat ik zoveel van je hou.

‘Godverdomme!’ riep patron Kristof Blieck welgemeend uit.
‘Oei… ‘ deed Bartelijne, maar de tweeklank bleef in haar mond steken terwijl haar lippen hem al gevormd hadden. Pas toen ze voorzichtig de deur weer dichter naar zich trok en eromheen gluurde, besefte ze de draagwijdte van haar entree. Ze sloeg een hand voor haar mond, waardoor haar tweede oei er evenmin heelhuids uit kwam.
‘Deur toe!’ blafte iemand.
‘Ja: het tocht!’
‘Ja, ’t is de allereerste keer
De aller-allereerste keer’

‘Pom… pompoenen!’ stamelde Bartelijne.
‘Pulp! Pompoenpulp!’ kwekte een vrouw.
‘Uw kunst is naar de kloten, Kristof!’
‘Zie ze liggen!’
‘Maar vrouwmens toch!’
‘Waarom zo… zo… zo hard, hé?’ snauwde Kristof. ‘Zitten de moffen je soms op de hielen?’
Bartelijne zag de zevenkoppige frontlinie zitten, nou: hangen aan de toog. Voor de rest was al het zittend meubilair onbemand. De stemmen kwamen los.
‘Heb je geld genoeg mee om dat te betalen?’
‘Maar ik heb daar niet om gedaan!’
‘’t Zal wel zijn. Wie zal dat nu betalen? ’t Is kunst!’
‘Ben je verzekerd hiertegen, Kristof? Tegen binnenstuivende wij… vrouwen?’
‘Rustig, mensen!’ maande Kristof Blieck aan. ‘Rustig. Wat zal het zijn, dame? We praten er even rustig over.’
‘Een pompoensap zeker? Ha ha ha ha!’ sneerde een van de tooghangers.
‘Laat haar nu maar gerust.’
Kristof verliet zijn verschansing om het kaduke kunstwerk van de grond te rapen en achter zijn toog te deponeren. Bartelijne Boens week schroomvallig en ging op de dichtstbijzijnde stoel bij de deur zitten. De Mikschotenaars slingerden beurtelings smalende of woedende blikken naar haar.

‘Je bent niet van hier zeker?’
Bartelijne schudde van nee.
‘We hebben je hier nog nooit gezien.’
‘Er wonen hier dieven.’
‘Wat!?’
‘Wat zeg je daar?’
‘Je valt wel met de deur in huis.’
‘Dieven??’
‘Wat bedoel je?’
Plotseling voelde iedereen van het gezelschap zich aangesproken. Ondertussen kwam er nog een man binnen. Zijn vragende blikken zeilden door het café, naar Bartelijne, naar de vage afdruk op de muur waar het stilleven zonet nog had gehangen, naar patron Kristof, naar de tooghangers, die hij vervolgens zonder een woord te zeggen naderde en ieder een kus gaf, zowel de mannen als de vrouwen.
‘Dag Jean-Philippe.’
‘Dag iedereen.’
‘Heb je het al gezien?’
‘Je kunt er niet naast kijken. Als iets weg is, valt het op hé.’
‘Een pint?’
‘Een pint.’
‘Mijn pompoen is gestolen’, vervolgde Bartelijne, nadat de genaamde Jean-Philippe van bierviltje en pint was voorzien.
‘De schilder zit hier nu’, klonk het waarschuwend. Een van de mannen knikte achtereenvolgens naar Bartelijne en naar Jean-Philippe.
‘Dat is de schilder… van het schilderij.’
‘Ja, Jean-Philippe. Zijn naam staat er zelfs op.’
‘Maar dat kun je nu niet meer zien.’
‘Ah’, deed Bartelijne. ‘Mijn excuses, schilder. Maar mijn pompoen is gestolen.’
Kristof Blieck tikte even tegen de zijkant van zijn hoofd en wees dan naar het kaduke stilleven in een hoek achter de toog. Kunstschilder Jean-Philippe veerde  van zijn toogkruk op, ging op de stijltjes staan, aanschouwde het debacle en ging dan schouderophalend en nee-schuddend weer zitten.
‘De mijne blijkbaar ook, madame’, zei hij, zonder achterom naar haar te kijken. ‘Mijn pompoenen zijn nu ook foetsie’.
‘Zij daar knalde er de deur tegen.’
‘Het hing op een gevaarlijke plek. Het moest er eens van komen.’
‘Vind je het dan niet erg?’
‘Ach. Een stevige windstoot en voor hetzelfde geld… ‘

‘Wie heeft mijn pompoen gestolen?’
Dat klonk al erger. Met meer aandrang. Klemtoon op wie. Net zo goed klonk het als: wie hier?
‘Uw pompoen? Eén pompoen? Je hebt daarnet een hele schaal vermorzeld. Waar… Waar is dat gebeurd?‘
Kristof Blieck zwierde strijdvaardig zijn keukenhanddoek over zijn rechterschouder.
‘’t Was mijn laatste. In Luidschote.’
‘Luidschote?’
‘Je hoort dat goed.’
‘En je denkt dat de dief hier… ‘
‘Dat kan niet anders. Mikschote schiet toch elk jaar rond deze tijd pompoenen weg?’
‘Dat is een zware beschuldiging, vrouwmens!’
‘Zijn jullie lid van die slingeraars?’
‘Is dat een verhoor?’
‘Geef me een koffie.’
‘Alstublieft. Zeggen ze dan. De meeste toch.’
‘Alstublieft.’
‘Komt eraan.’
‘Ga je ze nog koffie serveren ook, Kristof, na zo’n beschuldiging?’
‘De klant is koning hé’, mompelde patron Blieck.
‘Ja, maar… ‘
‘Ze maakt eerst een schilderij kapot en dan beschuldigt ze ons van diefstal.’
‘Jean-Philippe: ben jij verzekerd tegen binnenstormende heksen?’
‘Ja ja.’
‘Typisch Luidschote!’
‘En jullie: typisch Pikschote!’ zei Bartelijne scherp.
‘Wat zeg je daar??’
‘Mikken? Pikken, ja!!’
‘Dat moeten wij niet pikken!’
‘Daar komt een pompoenoorlog van!’
‘Rustig, madame’, suste Kristof. ‘Rustig. Waarom zeg je dat nu? Suiker? Melk?’
‘Nee, zwart. Hoeveel?’
‘Een euro tachtig.’

Even bleef het stil in De Frontduif. De pompoenslingeraars vezelden nu onder elkaar, met hun rug uitdrukkelijk naar Bartelijne gekeerd. Kristof bracht de koffie en schoof nog een stoel achteruit.
‘En nu gaan we eens… ‘
‘Is dat een bekende schilder, die daar?’
‘Jean-Philippe: ben jij bekend?’ vroeg Kristof, ernst voorwendend.
‘Als ze nog meer van mijn schilderijen verpletteren en op de grond smijten, zal ik nooit bekend worden!’
‘Ha ha ha!’
‘Picasso fietste zelfs over zijn schilderijen!’
‘En jij gelooft dat!’
‘Hang dat ding dan ook niet daar’, zei Bartelijne smalend, terwijl ze zich vooroverboog om het opperste laagje van haar koffie af te slurpen.
‘’t Is hier mIJn café hé’, antwoordde Kristof vinnig. ‘Een euro tachtig’.
‘Hier’.
Ze stak haar hand met het pasgeld uit zonder hem aan te kijken.
‘Dank u alstublieft merci.’

Toen ging de deur weer open. Een ruige kerel kwam stampvoetend binnen, met onder zijn arm een grijnzende uitgeholde pompoen.
‘Claude!’ riep Kristof uit. ‘Wie heb je nu weer onthoofd?’
Als een verschrikte kat keek Bartelijne van haar kopje op. Ook de zevenkoppige draak aan de toog draaide zich met een ruk om. Claude smeet de deur achter zich dicht en stak triomfantelijk het bekkeneel omhoog:
‘Ziehier het lichaam van… ‘
Die ogen… Die mond… Er was geen twijfel mogelijk.
‘Mijn lichaam!!’ krijste Bartelijne. Ze toverde het mes tevoorschijn waarmee ze haar laatste pompoen van zijn inboedel had beroofd en sprong op Claude af.

Sjors DNO

CAFEPRAAT

CAFEPRAAT

(Featuring het gezin Van Baemel)

Serpentine en Nicotine zaten samen in een tbc-café. De predementionele patron Eddy stond mopperend en mombakkend aan zijn rochelende koffiestroelmachine te rukken.
‘Godver, als ’t er nu nog ene koffie vraagt… !’
‘Ik wil wel nog een pint,’ mekkerde Serpentine.
‘Eerst nicotine,’ snauwde Eddy terug, en hij zoog zich uitdagend traag te sappel aan een sigaret.
‘Zijt ge homo misschien?’
Het hele tbc-café lachte zich hoestend en proestend te pletter. Die Serpentine toch! Nicotine zelf plooide hoofdschuddend zijn mondhoeken in een meewarige grijns.
‘Pas op voor rukwinden, Eddy,’ kraste hij dan, maar niemand begreep waar dat op sloeg. Misschien ook had niemand dat gekras gehoord.

In de parallelle wereld zaten ze ondertussen in het holst van een kwakkelzomer. Klokslag 15 augustus was Yves Leterme nog altijd formateur – en dat bleef zo maar duren. Dit gegeven werd enkele dagen later overschaduwd door de dood van Elvis, dertig jaar geleden. Maar Leterme had not yet left the building. Hij zag er niet goed uit, ondanks ingrepen ter hoogte van zijn ogen: zijn haar leek bij een koude kapper geknipt en zijn anderhalftalige mededelingen klonken stug, stoffig en verstikt. De tv toonde dat allemaal in de hoge linkerbovenhoek van café Romy in de Rokershoeststraat.
(We gebruiken een pseudonieme straatnaam om de privacy van tbc-café Romy te beschermen – een gerechtelijke afspraak).

Annelieselotte zwaaide breed met haar sigaret boven haar hoofd: ‘Kijk naar die vissenkop! Zoudt ge dat geen stamp in zijn… ‘
De as warrelde over haar eigen zout-en-peperkop. Elk woord van haar leek met een kraan uit het diepste van haar ingewanden opgegraven en uitgespuwd. Die haalde zeker het volgende decennium niet meer.
‘Annelieselotte!’ onderbrak Eddy scherp. Hij knikte naar de halfronde zitbank onder de tv, waar het nieuw-samengestelde gezin Van Baemel met het tienjarige kind Antrassity zat.
‘O,’ deed Annelieselotte. Ze sloeg haar hand voor mond en vergat onmiddellijk daarna dat ze dat gedaan had toen ze met haar andere hand aan haar sigaret wou trekken.  ‘Getver, ik kom handen te kort.’
‘Ge moogt er wel een paar van mij lenen,’ grapte Smalle Geboorte. Hij zat aan de kalme kant van de toog, met zijn gat naar de deur die toegang verschafte tot de pis- en persruimte voor de testikelhorde en de gleuvenbrigade.
‘Houdt gij uw handen maar thuis, we weten wel waarom dat gij altijd de wacht houdt bij de deur naar ’t schetenkot,’ zei Annelieselotte. ‘’t Is daar smal passeren hé, Smalle Geboorte? En uw gat intrekken zoudt gij nooit doen hé?’
‘Annelieselotte!’ onderbrak Eddy opnieuw scherp, weer knikkend naar het halfronde gezin Van Baemel. Antrassity, zijn ogen groter dan zijn buik, stak juist een voltallige snicker in zijn waffel. De vrouw en de kerel zaten gehuld in rook voor zich uit te staren. Eerstgenoemde wachtte op haar koffie, laatstgenoemde op een verse pint. De kat Karos van café Romy krulde naast hen op de bank. Boven hun bracht de tv de actualiteit in huis.

‘Ge kunt u kwetsen aan zijn staartebeen,’ grinnikte Serpentine.
‘ … of er in verwachting van geraken,’ vulde Nicotine grijnzend aan.
Smalle Geboorte knikte triomfantelijk, maar wist niet wat hij daarop moest zeggen.
‘Hier: uw pint.’ Eddy pootte het glas voor Serpentine neer.
‘En mijne vent dan?’ reclameerde Serpentine. ‘Moet ik hier alleen zitten drinken misschien?’
‘Maar gij vroeg toch nog een pint? En hij niet?’
‘Nee, ik ga een Duvel drinken,’ zei Nicotine dapper. Hij legde zijn armen op de toog en mikte zijn hoofd er midden op.
‘O: kijk naar meneer!’
‘Nog een Duvel,’ herhaalde Eddy. Hij slofte terug naar zijn tapkranen en zijn koelkasten.
‘Groeien ze plotseling op uw rug misschien?’ siste Serpentine tegen haar vrijer.
‘Ik heb een keer goesting in iets goeds,’ mompelde Nicotine van tussen zijn ellebogen.
‘Ge gaat vanavond dan weer niet weten van welke parochie ge zijt.’
‘Duvel smaakt gelijk engeltjesmelk.’
‘Ge spreekt van nu al met een dubbele tong, gij.’
‘Hihihi,’ deed Annelieselotte.
‘Wat zit gij daar zo dwaas te lachen?’
‘’t Is Rita daar die muilen zit te trekken.’
‘Niet waar!’ loog de aangesproken Rita. Ze sleurde de rook uit haar sigaret en inhaleerde tot in de toppen van haar tenen. Iedereen keek toe, wachtend tot de rook weer uit een of ander gat zou komen, maar dat gebeurde niet. Weer niet: Rita stond ervoor bekend dat zij haar rook spoorloos in kon slikken. Ze beweerde dat ze alzo het milieu spaarde.
‘Rita, ge hebt weer uw rook opgegeten,’ constateerde Smalle Geboorte.
‘Ik spaar voor een dag mist, Smalle. Dan kunt ge met uw scherp gat en uw brede smoel tegen een kudde overstekende koeien aan knallen.’
‘O la la, al die k’s!’ riep Nicotine.
‘K3,’ gniffelde Annelieselotte.

Het hele tbc-café moest wederom lachen. Eddy draafde nu heen en weer met achtereenvolgens een koffie, een pint, een cola en een Duvel. Het gezin Van Baemel ontving de gevraagde geneugten geluidloos. Het in een vorig huwelijk verwekt kind Antrassity goot nu grote hink-stap-slokken cola achter zijn snicker aan. De banden om zijn buik bewezen dat hij een goede eter was. Ook bloosde hij wat. Het nieuw-samengestelde gezin Van Baemel zou hard mogen werken om alle voedertijden van deze jonge snaak te kunnen bekostigen.

‘Er zit weer wat gereed in de lucht,’ deelde Eddy mee, terugkomend van het trottoirterrasje. ‘Zie maar dat het niet op uw kop valt,’ grinnikte Serpentine.
‘Ja: een metoriet,’ lachte Smalle Geboorte.
‘Meteoriet, stommeling,’ verbeterde Rita hem.
‘Als het maar tiet is, ha ha ha, stalagtiet, hottentot, eh… hietentiet… ha ha ha!‘
Smalle Geboorte lachte als enige met overslaand stemgeluid om zijn eigen humor. Deze lachbui versmoorde zichzelf in een rochelhoest. Nicotine en Serpentine keken hem met vernietigende blikken aan, tot de hoestbui helemaal verdwenen was. Toen staken ze ieder een sigaret op, grabbelend uit hun eigen pakje: een marlboro en een richmond.

‘Godver, Smalle: ik dacht dat ge d’erin ging blijven. Alzo bassen!’
‘Ja… ‘ deed Smalle Geboorte met een dun stemmetje.
‘Zoudt ge niet veranderen van merk?’
‘Automerk?’
‘Nee, van sigarettenmerk, onnozelaar.’
‘Ah ja. Bah, ‘k voel mij goed met mijn gedraaide sigaretten. Ze zijn veel gezonder dan die gemaakte brol.’
‘Ge peinst dat, maar ze draaien u juist gelijk de gemaakte de kist in.’
‘Ja ja, we moeten van iets dood.’
‘Wij gaan graag van iets anders dood hé, Serpentine?’ lachte Nicotine, en hij kletste uitbundig op haar bil. Serpentine haalde haar schouders op.
‘Ik zou niet weten waarvan.’
Met een lange zucht blies ze de rook uit.

Op de tv begon na het journaal een lange reeks klotefeuilletons waar half Vlaanderen elke dag met holle ogen naar staarde, soms tweemaal na elkaar als ze over de nodige machinerie daartoe beschikten. Het leek alsof het gezin Van Baemel op dat signaal had zitten wachten. Ze schoven, onevenredig, ieder een stuk op de halfronde bank op en begonnen met open mond en geheven hoofd naar omhoog te staren, naar de treurbuis hoog boven hun verheven. In het rechterbovenhoekje van deze grote rechthoek bedreef een inzetdame de begeleidende gebarentaal bij de dialogen.

Toen gebeurde er iets wat gewoonlijk alleen maar in verhalen gebeurt. En toch gebeurde het in het echt, in tbc-café Romy in de Rokershoeststraat.

We zeggen en schrijven klokslag 17:08, valavond. Het trottoirterrasje was al leeg, de zakkende zon kleurde het interieur als een oude foto. Serpentine, Nicotine, Rita, Annelieselotte en Smalle Geboorte waren al geruime tijd onder de olie.

WAT HAD HET NIEUW-SAMENGESTELDE GEZIN VAN BAEMEL DAN WEL UITGEVRETEN DAT HET ZO ONVERBIDDELIJK AAN ZIJN EINDE MOEST KOMEN? WIE GAAT HET ZEGGEN? HE??

‘Ewel ja: ’t was een oude tv!’ jammerde Eddy. ‘De meesten hebben toch nog een oude tv in huis? Wie had dat nu gedacht… ‘
‘Houtmoeheid: bestaat dat?’ gromde een klant die sedert anderhalf uur vers toegekomen was bij de buren. ‘Als je ’t mij vraagt: ja, houtmoeheid bestaat. Of tv-moeheid, verdomme.’
‘Maar we zitten wel met drie doden’, zei Smalle Geboorte. Hij was, net als de anderen, op slag nuchter geworden nadat met donderend geraas die stomme tv met plank en bijbehoren en nog een groot stuk van de muur omstreeks het derde uur in de middag naar beneden was gekukeld en met dodelijk effect op het driehoofdige gezin neer was gekomen. Het nieuw-samengestelde gezin Van Baemel werd zowat ogenblikkelijk verpulverd. De ravage, vermengd met bloed, was niet om aan te zien. Iedereen, Eddy incluis, was door politie en hulpdiensten het café uitgedreven en had zijn toevlucht gezocht tot de belendende horecazaak getiteld Neptunus, gedreven door Martine V. Deze aanpalende patrones ving iedereen goed op met jenevers en bieren. De schok was groot geweest. Af en toe kwam een vrouw in blauw en oranje met PSYCH op haar rug even poolshoogte nemen. Ook in Neptunus speelde de tv hoog in een hoek, maar uit piëteit durfde niemand ernaar te kijken. Geen blik gunden ze die moordenaar. Er werd om ter hardst gerookt en dapper gedronken, op weg naar de tweede of derde dronkenschap van die dag.

‘Ze zeiden zij gelijk nooit niks,’ merkte Smalle Geboorte plotseling op.
‘Wie?’
‘Awel: die drie. Die nu dood zijn.’
‘Natuurlijk niet,’ zei Eddy. ‘Ze waren doofstom. Heb jij dat dan nooit in de mot gehad, stommeling? Ze zaten de laatste maanden iedere week in mijn café.’
‘Maar… ‘ deed Smalle Geboorte. Zijn mond viel letterlijk open.
‘En gij waart vooral aan het woord hé, er kon niemand tussen komen,’ zei Serpentine.
‘Nooit van liplezen gehoord, Smalle? Gebarentaal?’ vroeg Rita smalend.
‘Zij gaan het alleszins nooit navertellen,’ kraste Nicotine.
En daarmee was de kous ongeveer af. De rest was voor de verzekeringen.

Sjors DNO

DARWIN, GEEN LEVEN

DARWIN, GEEN LEVEN

 

Myriam Hobo was een Joods Darwinvinkje op het kleinste Galàpagoseiland. Daar waren enkele schildpadden al zo oud geworden dat ze de beroemde geleerde persoonlijk gekend hadden toen hij op hun eilandje onderzoek verrichtte. De vinken was natuurlijk een veel korter leven beschoren. Vooral de Joodse. Ook de vinkjes die met trots de naam van de wetenschapper droegen: de Darwinvinkjes. Myriam Hobo floot vroeger tweemaal per jaar vals: telkens als de vrachtboot aanmeerde, met voorraden voor de schaarse eilandbewoners. Die mensendrukte oefende een slechte invloed uit op haar gezang. Later leerde Myriam Hobo beter omgaan met stress, want er kwamen veel vrijetijdsboten bij. Het minuscule Galàpagoseiland werd door de toeristen ontdekt. Een vruchtenstalletje tussen de bomen groeide uit tot een heuse stad. Myriam Hobo, het Joodse Darwinvinkje, mocht dan nog de grilligste toonladders uit haar keel persen als geweldloze daad van verzet en protest: de mensen kwamen, bleven en hokten samen als stad. De reusachtige schildpadden trokken hun schilden op; een zoveelste stap in de geschiedenis van de mensen kon hun geen reet schelen. Ze lieten maar betijen, paarden af en toe ongegeneerd en stonden rechtopstaand toe dat vogels hun teken uit hun oeroude lijf kwamen pikken. De een zijn blootje is de ander zijn broodje.

De eerste moord op dat kleine Galàpagoseiland, zeer on-Darwiniaans, gebeurde op een avond in mei. (We laten de vroegere massa- en seriemoorden door mensen op de schildpadden uitgevoerd hier buiten beschouwing). Myriam Hobo was de verbijsterde getuige. Dagenlang kreeg ze helemaal geen toonladder meer uit haar strot. Haar gevederde judaïsme protesteerde tot in elke follikel. Mensen? Eens te meer bewezen die dat hun geschiedenis een treurige bloemlezing was van veldslagen, oorlogen, wapengekletter en doodsgereutel. Voor de periodes daartussenin hanteerden ze het woord ‘vrede’, zolang de voorraad strekte.

Nou, die moord dus. Waar anders dan in die ene stad kon die gebeuren? Myriam Hobo was toen zelf al voor een flink stuk verstedelijkt. Ze woonde gewoonlijk in de riante achtertuin van een Joods kunstschilder. Darwinvinken hebben iets met kleuren. En Joden hebben iets met, nou: met Joden. Overal ter wereld. Ook op dat Galàpagoseilandje dus.

Wie kunst zegt, zegt passie. Of geld. Was dat een beroemde kunstschilder misschien? Zeer zeker. Waarom zou hij anders op dat oeroude exotische eiland woonachtig en werkzaam zijn? En geen klap uitvoeren tenzij verf dermate uitsmeren dat hij er ook nog veel geld voor kreeg? Geen enkele Joodse Darwinvink ter wereld had ooit al meer vrouwelijk naakt aanschouwd dan Myriam Hobo, Galàpagosallochtoon. In de broeierige hitte van Ecuador vergaapte ze zich dagelijks aan het leuke geldgewin van mister Toni, afkomstig uit het verre Transsylvanië, opgegroeid met de bevreemdende klanken die aan de cymbalon werden ontlokt door Joodse tziganes door wier aderen Roemeens en Hongaars bloed stroomde. Joden moeten zwerven. Toni belandde hier, aan een andere kant van de wereld. Hij schilderde, versierde ongegeneerd vrouwen, verdiende geld en was zich niet bewust van de vrouwtjesvink in zijn achtertuin.

Kunstenaars trekken ook andere vreemde vogels aan. Vrouwen en mannen die in een soort van pikorde de hofhouding vormen met alle voorspelbare kenmerken: jaloezie, wedijver, hoogmoed, behaagzucht, pluimstrijkerij. Voor een plaatsje in het hart en het testament van de meester waren ze bereid elkaar de kop in te slaan of te elektrocuteren.

Hier begint eigenlijk het verhaal van de moord waar Myriam Hobo niet anders dan lijdzaam op toekijken kon. Een sujet, op en top snob, vriend des huizes, verkocht de kunstschilder volstrekt illegaal en hoogst verboden zo’n reusachtige schildpad. Toni telde er een smak geld voor neer.

‘Een prima schildwacht heb je daar nu,’ lachte de snob. ‘Niemand zal het wagen zich via de achtertuin toegang te verschaffen tot al dat moois en kostbaars hier. Die pad is van geen kleintje vervaard. Ze overtreft zelfs de gevaarlijkste waakhond op het eiland.’

En hij verdween voorgoed, de vette cheque netjes in tweeën gevouwen in zijn portefeuille. Toni verzorgde de ontvoerde schildpad goed. Hij schiep een exacte kopie van haar biotoop in zijn achtertuin. De schildpad was echter niet gelukkig. Natuurlijk niet. Schildpadden zijn van nature uit eigenlijk al geen doetjes. Marie-Mathilde, zoals Toni ze noemde, kweekte al ras gemengde gevoelens, die escaleerden tot onverdunde haat en agressie jegens hét Darwinsoortje bij uitstek, die monsters op twee benen: de mensen. Zij die haar hadden ontvoerd, verkocht, gekocht en van de vrijheid beroofd.

Mister Toni, Transsylvaniër, hoopte Marie-Mathilde levenslang bij zich te kunnen houden. Maar hij was ook tevreden met haar prachtige schild, mocht ze ooit komen te overlijden. Myriam Hobo keek ondertussen toe: hoe de schilder met opengeschoven atelierdeuren konterfeitte, hoe de schildpad met steeds meer moordzucht in haar ogen zich elke dag een duimbreed dichter bij de veranda waagde.

SNAP! klonk het op een avond in mei.

Myriam Hobo schrok op uit een mafje op een drafje. Marie-Mathilde was het openstaande atelier binnengeslopen en hield mister Toni in een klemvaste kaakgreep bij zijn Versace-broekspijp vast.

KRAK! ging het, want daarin bevond zich de enkel van de schilder.

‘Au! Au au au! Aààà!!!! $*$µ%}!”&=//²²&!¨¨!!’

Een Transsylvaanse vloek knetterde door het atelier. Toni greep naar zijn broekspijp, waar het bloed als een Rode Zee eensklaps uit gulpte. Maar Marie-Mathilde deed nog eens SNAP! Nu knapte ze met een krachtige ruk van haar kop de pols van Toni middendoor. Ogenblikkelijk daarna vermorzelde ze alle vingers van de linkerhand met één beet van haar kaken. Schreeuwend zeeg de schilder neer, ziedend van pijn, kronkelend als een worm, in zijn val zijn ezel en doek meesleurend. Verf spatte op de grond en vermengde zich met wijnrood bloed uit het been en rozerood bloed uit de arm. Met een snelheid die je van zo’n gigantisch dier niet zou verwachten, maakte Marie-Mathilde het karwei af. Verbijsterd keek Myriam Hobo toe hoe vrijwel alle botten en beenderen van de onfortuinlijke mister Toni hetzelfde lot ondergingen. Dat ging gepaard met naargeestig geknap en dierlijk gehuil. Marie-Mathilde rukte grote hompen vlees los en zwierde die het atelier rond. Kleinere repen slikte ze zo door, na amper twee, drie maalbewegingen van haar kaken.

In een mum van tijd gaf de schilder de geest. Met een mokerslag van haar rechtervoorpoot verbrijzelde Marie-Mathilde ten slotte de schedel. Dat was de kroon op het werk. Geheel onder het bloed toog ze daarna naar het zwembad in de achtertuin. Het water kleurde wollig rood toen ze erin plonsde. De stralen van de avondzon voltooiden deze aquarel met een paarse weerschijn. Kokhalzend vluchtte Myriam Hobo de tuin uit, zonder ook maar één geluid te kunnen uiten. Overal in het atelier verspreid lagen de bloederige, vermaalde resten van wat eens mister Toni was geweest. De moord van een schildpad op een kunstschilder was voltrokken. In het zwembad omarmde het water Marie-Mathilde allesbegrijpend.

Natuurlijk groeiden er stadslegendes. Maar die lieten wel buiten beschouwing de vroegere massa- en seriemoorden door mensen op schildpadden uitgevoerd.

‘Die wrede schildpad,’ deed de ronde, ‘wel, die kan niet tot een celstraf veroordeeld worden, want ze zit nu eenmaal al gevangen in haar schild. En de strafmaat bepalen, vormt ook al een probleem: die oldtimers leven verdorie honderden jaren lang. Het schijnt dat die Marie-Mathilde, of hoe heet ze ook weer, tijdens de moordpartij iets uitgestoten heeft dat op taal gelijkt. Het klonk als ‘met de groeten van Charles Darwin.’

Tja, de stad bevordert de criminaliteit. Waar mensen dicht samenhokken, is het dubbel uitkijken geblazen. Ook op een eiland. En Darwin, die draaide zich nog maar een keer om in zijn graf.

Myriam Hobo kwam de schok maar langzaam te boven. Om de achtertuin van mister Toni vloog ze met een grote boog heen. Marie-Mathilde werd onder scherpe bewaking weer naar het strand getakeld. Daar werd ook een waarschuwingsbord voor toeristen neergepoot. Op de begrafenis van Toni huilden veel vrouwen. Hun minnaars en mannen legden artistiek begrip aan de dag. Op Galàpagos leefden de schildpadden nog lang en gelukkig. Ze paarden af en toe ongegeneerd en stonden rechtopstaand toe dat vogels hun teken uit hun oeroude lijf kwamen pikken. Een ervan vertoonde geruime tijd een soort van wijnvlek op haar schild, waar bij avondzon een paarse weerschijn van afstraalde. Maar het sleet.

Sjors DNO